Albert Camus, Brieven aan mijn leraar. Een ode aan de bijzondere band tussen leraar en leerling.
uitgeverij De Bezige Bij 2026
Bas Heijne Inleiding
9. Dat gevoel van sociale afstand, er niet bij (willen) horen, heeft hem nooit verlaten. Camus voelde zich meestal een buitenstaander in intellectuele kringen. Zelfs toen hij in Parijs leefde en werkte als journalist en schrijver, ontwikkelde hij een blijvende afkeer tegen de artistieke en filosofische coterieën van de hoofdstad, tegen het naargeestige geroddel, maar vooral tegen de modieuze intellectuele abstracties die de persoonlijke ervaring achteloos terzijde schoven. In zijn latere, veelbesproken conflict met Jean-Paul Sartre ging het in essentie ook hierover: de vraag of ideeën belangrijker zijn dan individuele levens.
47. Louis Germain: ‘Met mijn andere leerlingen heb ik meer geluk gehad, over het algemeen. Er zijn er heel wat die ik terugzie in het leven en die me zeggen dat ze goede herinneringen aan me bewaren, al kon ik streng zijn als het moest. De reden is heel eenvoudig: ik hield van mijn leerlingen en onder hen een beetje meer van degenen die door het leven waren benadeeld. Toen jij bij mij in de klas kwam, was ik nog aangeslagen van de oorlog, van de doodsdreiging waaronder we vijf jaar lang gebukt waren gegaan. Ik was eruit teruggekomen, maar anderen met minder geluk waren gesneuveld. Ik heb in hen ongelukkige kameraden gezien die ons bij hun dood degenen toevertrouwden die ze achterlieten. Omdat ik aan je vader dacht, mijn beste jongen, heb ik me om je bekommerd, zoals ik me ook om de andere oorlogswezen heb bekommerd. Ik heb een beetje voor hem van je gehouden, zoveel als ik kon, en dat is mijn enige verdienste. Ik heb een in mijn ogen heilige plicht vervuld. Je hebt je succes te danken aan je verdienste, aan je werk. Je bent mijn beste leerling geweest, die overal goed in was. Daarbij ook nog vriendelijk, rustig en kalm. Dus toen ik je inschreef voor het toelatingsexamen van de eerste klas van de middelbare school, heb ik alleen mijn plicht gedaan. Natuurlijk heb ik je moeder gerustgesteld, die opzag tegen de financiële verantwoordelijkheden die ze niet op zich dacht te kunnen nemen. Ik kon niet anders dan haar geruststellen en op het bestaan van beurzen wijzen, waardoor je scholing haar niets zou kosten (pas toen hoorde ik hoe je familie er financieel precies voor stond). Kortom, ik beschouw mijn verdienste als gering en de jouwe als groot. Hoe dan ook, en ongeacht meneer Nobel, zul je altijd mijn jongen blijven.
64. Hier gaat alles goed. De kinderen zitten in de laatste klas van de middenschool: Grieks, Latijn, wiskunde, etc. Maar ze hebben geen meneer Germain gehad om ze te leren spellen en op dat punt maken ze hun vader moedeloos. Wat heeft dat voor zin, zegt mijn zoon, nu we naar de maan gaan!
75. Voor hoofdrekenen had hij een competitie ingesteld die de leerling dwong tot snel denken. De hele klas moest zijn armen over elkaar slaan en dan noemde hij de termen van een deling, van een vermenigvuldiging en soms van een enigszins ingewikkelde optelling. Hoeveel is 1267 + 691? De eerste die het goede antwoord gaf kreeg een punt in het maandelijkse klassement. Verder gebruikte hij zorgvuldig en met kennis van zaken de leerboeken... Dat waren nog altijd de boeken uit het moederland, zodat die kinderen, die alleen weet hadden van de sirocco, het stof, de korte, hevige regenbuien, het strandzand en de zee die door de zon in lichterlaaie werd gezet, ijverig en met aandacht voor komma’s en punten, verhalen lazen die voor hen mythisch waren, over kinderen die getooid met wollen sjaals, mutsen en klompen door de ijzige kou over de met sneeuw bedekte wegen takkenbossen naar huis sleepten, totdat ze het besneeuwde dak van hun huis zagen, waarvan de rokende schoorsteen hun duidelijk maakte dat de erwtensoep stond te koken op het vuur. Voor Jacques waren die verhalen je reinste exotisme. Hij droomde erover, vulde zijn opstellen met beschrijvingen van een wereld die hij nooit had gezien en bleef voortdurend zijn grootmoeder ondervragen over een sneeuwbui van een uur, die twintig jaar geleden in Algiers en omgeving was gevallen.
76. Alleen de school gaf Jacques en Pierre dat plezier. En de reden dat ze er zo hartstochtelijk van hielden, is dat ze er vonden wat ze thuis niet vonden, thuis, waar armoede en onwetendheid het leven harder maakten, triester, en als het ware in zichzelf opgesloten; armoe is een vesting zonder ophaalbrug.
112. Hij ging weg en Jacques bleef alleen achter, voelde zich verloren tussen al die vrouwen, maar stormde naar het raam om te kijken naar zijn meester, die voor het laatst naar hem zwaaide en hem nu alleen liet, en in plaats van de vreugde van het succes voelde hij de beklemming van een reusachtig kinderleed, alsof hij nu al wist dat hij zoëven door dat succes was losgescheurd van de onschuldige, warmbloedige wereld van de armen, een in zichzelf besloten wereld, een soort eiland in de samenleving, waar de ellende niettemin werkt als gezin en als solidariteit, en een onbekende wijde wereld in werd gestuurd, die de zijne niet meer was en waarvan hij niet kon geloven dat de meesters er knapper waren dan die ene, wiens hart alles wist, en voortaan moest hij zonder assistentie leren en begrijpen, eindelijk een man worden, zonder de hulp van de enige man die hem had geholpen, eindelijk alleen groot worden en vooruitkomen, tot de hoogste prijs.


