Dupslog

jan.vanduppen(at)telenet.be

Jan Van Duppen

Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Jan Van Duppen
Artikel

Alicja Gescinska, Vrouwen in duistere tijden.Tien denkers van blijvende betekenis uitg.

57. De recente geschiedenis heeft er ons intussen vele voorbeelden van gegeven. We zagen het bijvoorbeeld bij een van de laatste grote genocides van de vorige eeuw in Rwanda, met Radio Mille Collines dat over Tutsi’s sprak als over kakkerlakken die uitgeroeid dienen te worden. Recentelijk hebben we een gelijkaardig fenomeen kunnen aanschouwen in Oekraïne. Aan de grootschalige Russische aanval in februari 2022 gingen jaren van haatdragende retoriek vooraf in Russische staatsmedia. De Amerikaanse historica Anne Applebaum – gespecialiseerd in de Russische geschiedenis, en in het bijzonder in de goelag en de Holodomor – schreef ooit een essay over ‘the words that lead to mass murder’. Daarin vergelijkt ze de dehumaniserende propaganda die aan de uitroeiing van de Oekraïense boeren in de jaren dertig en de Holodomor voorafging met de dehumaniserende propaganda in de Russische media van de voorbije jaren:


‘Hoewel niet elke genocidaire haatspraak leidt tot genocide, zijn alle genocides voorafgegaan door genocidaire haatspraak. De moderne Russische staatspropaganda is het ideale vehikel gebleken voor zowel het uitvoeren van massamoord als het voor het publiek verborgen houden daarvan.’


 


Alles begint met taal. Het mooiste waartoe we als mens in staat zijn, en helaas ook het meest barbaarse en wreedaardige. Het moorden begint met woorden.


Daarom is de taal de kanarie in de kolenmijn; wanneer het publieke discours verschuift in de richting van systematische haatspraak, is bloedvergieten niet meer veraf. Je zou het kunnen vergelijken met een seismograaf. In de taal kunnen we de bewegingen onder het oppervlak van de samenleving registreren die uiteindelijk aardverschuivingen, -bevingen en -schokken veroorzaken. 


Rosa Luxemburg wist dat heel goed; en dat al begin twintigste eeuw. De wreedaardigheid van ons spreken en denken gaat vooraf aan de wreedaardigheid van onze daden:


‘ In normale mensen is systematische moord pas mogelijk wanneer er eerst een toestand van bedwelming wordt gecreëerd. Dit is altijd de beproefde methode geweest van hen die oorlog voeren. De beestachtigheid van daden moet gepaard gaan met een gelijkaardige beestachtigheid van gedachten en attitudes; dat laatste moet het eerste voorbereiden en vergezellen.


 


77. Westersgezinden (zapadniki) wilden een Europees georiënteerd Rusland, een Rusland dat zich niet afzet tegen zijn westerse buren. Achmatova en de acmeïsten waren door die traditie gevormd. De


slavofielen daarentegen geloofden in de eigenheid van Rusland, ze geloofden dat het land een unieke koers had te varen, en dat Rusland níet Europees was of hoefde te zijn.19 Met de vervolging van kunstenaars zoals Mandelstam, met de Revolutie en de Terreur koos Rusland voor een pad weg van de Europese cultuur en identiteit. Achmatova en Mandelstam ervoeren dat heel sterk als een afscheid van Europa. In hun gesprekken onderling betoonde Mandelstam meer dan eens zijn liefde voor ‘Europees Rusland’ en zijn afkeer van alles wat niet-Europees was. En toen hem ooit gevraagd werd wat de essentie van het acmeïsme was, zei hij niets over poëticale voorkeuren, technieken of vormen,


maar wel: ‘een verlangen naar wereldburgerschap’. Het leven en werk van zowel Mandelstam als Achmatova zijn een requiem voor Europa.


 


130. Zo spendeerde ze een semester aan de Universiteit van Freiburg, waar ze de colleges bijwoonde van Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie. In 1926 verhuisde ze naar Heidelberg, waar Karl Jaspers haar mentor werd. Als studente ging Arendt dus in de leer bij de drie grote fenomenologen van


de jaren dertig: Husserl, Heidegger en Jaspers. De laatste zou veel meer dan een leermeester zijn; Arendt en Jaspers waren elkaars levenslange metgezellen in het denken. Tussen hen beiden ontvouwde zich zo’n genereuze persoonlijke en intellectuele vriendschap, dat de wederzijdse kruisbestuiving van gedachten het soms moeilijk maakt te achterhalen wie nu welke ideeën voor het eerst naar voren schoof. Ook met Jaspers echtgenote, Gertrude, was Arendt intiem bevriend. Arendt werd door hen liefkozend das Hannahkind genoemd. Bij Jaspers promoveerde ze in 1929 met een proefschrift over het liefdesbegrip bij Augustinus. Jaspers prees haar thesis, in het bijzonder omdat Arendt ermee toonde dat ze een kwaliteit bezat die een echte denker nodig heeft, maar die vaak onderschat wordt: goed kunnen lezen.


 


143. Verschillende van Arendts essays werden gebundeld, onder andere in Between Past and Future (1968), dat tot haar belangrijkste essayistische werk hoort. Het bevat onder andere haar essay ‘Truth and Politics’, dat eerder in The New Yorker was verschenen en dat een thema behelst dat Arendt intensief


bezighield. Velen hebben terecht gewezen op de leugen als wezenskenmerk van het totalitaire systeem. Maar Arendt merkt op dat waarheid en leugen in alle politieke systemen een moeilijke paringsdans uitvoeren. De geschiedenis staat bol van de leugens en verzinsels die door hele gemeenschappen breed uitgesponnen werden om er voordeel uit te halen, een politieke agenda door te drukken of een eigen identiteit te cultiveren. Het politieke gebruik van leugens en onwaarheden is van alle tijden. Het is door de geschiedenis heen een zeer sterke groepsvormende en daardoor polariserende factor: een verbindende én verblindende kracht.


 


 


146. Een eerste kenmerk van de totalitaire ideologie is wat Karl Popper het ‘historicisme’ noemde: het geloof in de doelgerichtheid van de geschiedenis, in de noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid van historische ontwikkelingen.


Poppers idee werd later overgenomen door onder anderen Isaiah Berlin en ook in Leszek Kołakowski’s analyse van de totalitaire ideologie komt het historicisme uitvoerig aan bod. Zo ook dus bij Arendt. De totalitaire ideologie drijft op het geloof dat de geschiedenis een specifiek doel heeft, dat er een historische noodwendigheid is, en dat het optreden en de autoriteit van de eigen partij of de grote leider een onwrikbare wetmatigheid zijn om dat specifieke doel te realiseren. Het doel heiligt daarbij de middelen, en dat is een tweede belangrijke component van het totalitaire systeem: geweld en terreur zijn alomtegenwoordig en worden goedgepraat in naam van het hogere historische doel. Deze


terreur knaagt de hele samenleving aan stukken. Zowel de publieke ruimte als de privéruimte worden erdoor uitgehold; en dat is een derde wezenskenmerk van het totalitarisme. Je kunt niets of niemand meer vertrouwen, zelfs binnen de muren van je eigen huis is er geen werkelijke privéruimte meer. Een


treffend – pijnlijk en tragisch – voorbeeld is de wijze waarop Anna Achmatova in haar eigen appartement haar eigen gedichten niet eens op fluistertoon durfde te delen met haar vrienden, omdat de ‘muren oren’ hadden. Daarnaast identificeert Arendt de bureaucratie van het kwaad als vierde onontbeerlijke component van het totalitaire systeem. Of het nu gaat over de apparatsjiks in de Sovjet-Unie of de Befehl ist Befehl-ambtenarij van de massavernietiging van het nazisme; steeds heeft een totalitair systeem nood aan een bureaucratisch apparaat van regels waarop elke persoonlijke verantwoordelijkheid wordt afgeschoven.


 


154.  Een mens affirmeert zijn vrijheid niet buiten maar in zijn politieke handelen. Arendt beseft heel goed de uniciteit van haar these. ‘Sinds de antieke tijd heeft niemand geloofd dat vrijheid de betekenis van politiek is.’ Ze wil dat we terugkeren naar de antieke wortels van het vrijheidsdenken waarin vrijheid, politiek en actie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Arendt verbindt dit ook met een ander begrip dat centraal staat in haar denken: nataliteit. Nataliteit is het vermogen om iets nieuws te beginnen, de geboorte van een nieuwe situatie door ons eigen handelen. 


 


 


159. Wat met de afkeer van politiek verloren gaat is meer dan enkel de mogelijkheid van een democratische bestuursvorm of een specifieke manier om het sociale leven te organiseren. Wanneer de publieke ruimte verkruimelt en de wereldloosheid toeneemt, verdwijnt het ‘in-between’: de tussenruimte waarin de mens zijn medemens ontmoet en beiden elkaars vrijheid en bestaan kunnen bevestigen. Wat verdwijnt is de mogelijkheid tot samenleven, en met dat samenleven en onze medemenselijkheid verdwijnt ook onze menselijkheid zelf.


Politiek draait om die moeilijke, maar onmisbare ontmoeting met de ander.


‘Overal waar mensen samenkomen, werpt de wereld zich tussen hen op, en het is in deze tussenruimte dat alle menselijke zaken worden ondernomen.’ 


Wanneer we onze medemens niet langer de hand reiken, maar de rug toekeren, verliezen we onze eigen menselijkheid. We moeten ons in de publieke ruimte begeven en we moeten politiek betrokken zijn op wat er in onze omgeving en de wereld gaande is, omdat we de plicht hebben om de menselijkheid van de mens te bestendigen. Die noodzaak vat Arendt ook samen in één enkel woord: humanitas. 


 


 


206. Het is misschien een van de meest waardevolle inzichten van Weil. Vaak wordt aangenomen dat uitbuiting spontaan moet leiden tot opstandigheid. Dat was ook de centrale aanname van Marx en alle marxisten: als de uitbuiting van de arbeiders en de tegenstelling tussen het proletariaat en de kapitalisten te groot worden, zullen de arbeiders in opstand komen. Weil stelde dat het ene helemaal niet logischerwijze uit het andere vloeit. Ze had het aan den lijve ervaren:


‘Denk niet dat dit in mij enige rebelse reactie opwekte. Nee, integendeel; het veroorzaakte het laatste dat ik van mezelf had verwacht: volgzaamheid. De vaste volgzaamheid van een lastdier.’


 


375. Kołakowski’s kritiek op het marxisme ging ook gepaard met een scherpe analyse van de politieke, sociale en ideologische kenmerken van het totalitarisme. Hij identificeerde daarbij het historicisme (het geloof in een hoger doel van de geschiedenis) als een van de pijlers van het totalitarisme. Net als Hannah Arendt (en menig andere denker, bijvoorbeeld Václav Havel) benadrukte hij de leugen als fundament van de totalitaire politiek. Net als Arendt begint Kołakowski met de vaststelling dat de leugen altijd deel is geweest van het politieke bedrijf, maar dat er in een totalitair systeem toch net iets anders gaande is. In andere politieke contexten dient de leugen een specifiek, afgebakend doel. In een totalitair regime, zo stelde Kołakowski in zijn essay Totalitarianism and the Virtue of the Lie (1983), is de leugen – de annihilatie van waarheid – een doel op zich. Het onderscheid zelf tussen waar en vals wordt opgegeven. Er is geen falsificeerbaarheid meer, geen mogelijkheid om te toetsen of datgene wat de machthebber zegt klopt of niet. Waarheid is verworden tot niets dan naakte, brute macht. Een uitspraak die vaak, maar onterecht aan Aleksander Solzjenitsyn wordt toegeschreven, vat dat treffend samen: ‘We weten dat ze liegen, zij weten dat ze liegen, ze weten zelfs dat wij weten dat ze liegen, wij weten ook dat zij weten dat wij weten dat ze liegen, en toch blijven ze liegen.’ Solzjenitsyn heeft dat nooit zo opgetekend, maar wel zei hij over de leugen dat zij een industrie op zich vormde in het totalitaire Rusland: de leugen is een ‘morele categorie’ en een pijler van de totalitaire staat. De leugen als deugd.


Het gevolg van die morele ‘inversie’ is de complete vernietiging van de menselijke persoon. De machinerie van leugens ruïneert de mens. Het totalitaire regime weeft een web van leugens om mens en maatschappij, en geleidelijk aan raken mens en maatschappij volledig verstrikt en verstikt in dat web.


De leugen vertekent het verleden, herschrijft het heden en maakt van de toekomst een onmogelijke fictie. Het gevolg is de morele en mentale desintegratie van de mens. Immers: de mens is zijn herinneringen en zijn verwachtingen; de mens is zijn bewustzijn, en wanneer het persoonlijke en collectieve bewust-zijn gemanipuleerd worden, wordt daarmee de mens zelf weggevaagd.