Ivan Gontsjarov, Oblomov
1858 - vertaald ArthurLangeveld Veen Klassiek 1994
Karel van het Reve schreef (in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur) over Gontsjarovs werk:
"In bepaalde dingen was hij een meester: gesprekken tussen heer en knecht, tussen bedienden onderling; het gedrag van verliefden; eten; het leven van een huis: de huishouding, het gepraat en gestommel. Helaas meende hij dat er in een romanheld veel moest omgaan en dat dat vele verteld en door de held van commentaar moet worden voorzien en bovendien nog eens van passend commentaar moet worden voorzien door de auteur".
****************************
70. En hij keerde weer naar zijn afzondering terug zonder de last van kennis die richting had kunnen geven aan de vrij in zijn hoofd rondzwevende of werkeloos sluimerende gedachten.
Wat deed hij zoal? Eigenlijk niets anders dan steeds maar het patroon van zijn eigen leven tekenen. Daarin vond hij, en met reden, ook zonder boeken en geleerdheid een onuitputtelijke bron van wijsheid en poëzie.
Toen hij werk en wereld had opgegeven, begon hij zijn taak in het leven met andere ogen te bekijken, begon hij na te denken over zijn bestemming en kwam hij tenslotte tot de conclusie dat de horizon van zijn werkzaamheden en zijn leven in hemzelf besloten lag.
168. Deze zelfwerkzame, praktische opvoeding beviel haar maar matig. Ze was bang dat haar zoon net zo Duits burgerlijk zou worden als de familie van zijn vader. De Duitse natie was in haar ogen niets anders dan één grote horde gepatenteerde kleinburgers en ze had een hekel aan de grofheid, eigenwijsheid en grootdoenerij waarmee de Duitse massa op elk gebied haar gedurende het laatste millennium verworven burgerlijke rechten liet gelden, net zoals een koe haar horens overal met zich meedraagt, niet in staat ze desgewenst eens weg te stoppen.
In haar opvatting was het uitgesloten dat er in Duitsland ooit een gentleman geboren zou worden. In het Duitse karakter zag zij geen enkel spoor van zachtheid, raffinement, mildheid, niets van alles wat het leven in de betere kringen zo aangenaam maakt, van de soepelheid waarmee je een regel kunt omzeilen, inbreuk kunt maken op een gewoonte, je onttrekken aan een gebod.
Nee, die lompe boeren dramden zo door, hielden zo krampachtig vast aan hoe het bij hen hoorde, aan wat ze zich in het hoofd hadden gezet, dat ze bereid waren om met hun kop door de muur te gaan om maar geen regels te overtreden.
175. Het was of hij ook vreugde en verdriet beheerste als de bewegingen van zijn handen en de stappen van zijn voeten of zoals hij met goed of slecht weer omging.
Als het regende zette hij een paraplu op, dat wil zeggen, hij leed, zolang het verdriet duurde, maar zijn lijden bevatte geen valse nederigheid, eerder ergernis of trots en hij droeg het geduldig, uitsluitend omdat hij de oorzaak van zijn lijden alleen in zichzelf zocht en deze niet, als een jas, aan andermans spijker ophing.
(…)
Het meest van al was hij bang voor de verbeelding, die Januskop met aan de ene kant een vriendelijk en aan de andere een vijandig gezicht, een vriend als je er maar niet te veel geloof aan hecht, een vijand wanneer je je naïef door haar zoet gefluister in slaap laat wiegen.
(…)
Hij had niets van het dilettantisme dat ervan houdt te grasduinen op het terrein van het wonderbaarlijke of de don Quichot te spelen in het land van speculaties en uitvindingen die over duizend jaar gedaan zullen worden. Hij bleef koppig halthouden op de drempel van het geheim, niet omdat hij werd weerhouden door het geloof van een kind of door de scepsis van een man van de wereld, maar in afwachting van de wetmatigheid die de sleutel ertoe zou geven.
(…)
Hij prees zich gelukkig dat hij op één hoogte kon blijven en bij het berijden van het paardje der gevoelens niet de vage grens overschreed die de wereld van het gevoel scheidt van die van de leugen en sentimentaliteit, de wereld van het waarachtige van die van het belachelijke, of wanneer je, de andere kant uit galopperend, niet terechtkwam op de zanderige, droge bodem van gevoelloosheid, verstandelijkheid, scepsis, pedanterie en castratie van het hart.
495. Als jongeman had hij instinctief steeds gewaakt over de frisheid van zijn krachten en later had hij al snel ontdekt dat die frisheid de bron is van energie en levensvreugde en de basis van de dapperheid die de ziel zich eigen moet maken om het leven in alle omstandigheden aan te kunnen, het niet te zien als een zwaar juk, een kruis, maar als een plicht en er vol vertrouwen tegen in het strijdperk te treden.
Dikwijls had hij bezorgde gedachten gewijd aan de zaken van het hart en hun duistere wetten. Bewust en onbewust had hij waargenomen welk een weerglans schoonheid op de verbeelding heeft en hoe de zintuiglijke waarneming vervolgens overgaat in sentiment, wat daarvan de symptomen zijn, hoe het spel wordt gespeeld en wat de afloop is; om zich heen ziend op zijn levenspad was hij tot de overtuiging gekomen dat de liefde met de kracht van Archimedes' hefboom de wereld beweegt; dat de liefde evenveel universele, onweerlegbare waarheden en zegeningen bevatte als leugens en bedrog wanneer zij verkeerd werd begrepen en werd misbruikt. Wat is goed? Wat is kwaad?
Waar is de grens tussen beide?
522. En Oblomov zelf! Oblomov was de volmaakte en natuurlijke weerspiegeling en uitdrukking van die rust, tevredenheid en onverstoorbare stilte. Hij was bij zichzelf te rade gegaan en tot de conclusie gekomen dat dit bestaan, waaraan hij steeds meer gewend was geraakt, voor hem het enig mogelijke was, dat hij niet meer verder hoefde te zoeken, dat zijn levensideaal in vervulling was gegaan, zij het zonder de poëzie, zonder de lichtstralen waarmee hij in zijn verbeelding ooit het royale, gezapig voortstromende herenleven op zijn landgoed, te midden van zijn boeren en zijn huispersoneel, had geschetst.
Hij zag zijn huidige leven als de voortzetting van datzelfde oblomo-viaanse bestaan, dat alleen door verschil van plaats en deels ook tijd iets anders van koloriet was. Net als in Oblomovka wist hij zich hier op een koopje van het leven af te maken, en het leven liet zijn enige wens in vervulling gaan: onverstoorbare rust.
Innerlijk juichte hij dat hij zich had onttrokken aan die tergende, kwellende eisen en dreigingen, aan die horizon waaraan bliksemflitsen van ontzaglijke vreugde oplichten en onverhoedse donderslagen van ontzaglijk verdriet klinken, waar valse hoop en schitterende fantomen van geluk spelen, waar de mens wordt verslonden en verteerd door zijn eigen ideeën en verpletterd door zijn hartstocht, waar de geest struikelt en zegeviert, waar de mens verwikkeld is in een nooit verflauwende strijd en het strijdperk zwaar gehavend en immer ontevreden en onverzadigd verlaat. Hij, onbekend met het genot dat de strijd kan geven, had daar innerlijk afstand van gedaan en kon alleen gemoedsrust vinden op een vergeten plekje, ver van alle beweging, strijd en leven.
En wanneer een enkele keer zijn verbeelding nog opvlamde, er vergeten herinneringen, onvervulde dromen in hem opkwamen, wanneer aan zijn geweten het verwijt knaagde dat hij zijn leven zo en niet anders had geleefd, dan sliep hij onrustig, werd steeds wakker, sprong uit bed, huilde soms koude tranen van wanhoop over dat lichtende, maar nu voorgoed uitgedoofde levensideaal, zoals men weent om een dierbare overledene, in het bittere besef dat men tijdens diens leven te kort is geschoten.
Maar dan keek hij weer om zich heen, proefde zijn vergankelijke zegeningen, kwam weer tot rust wanneer hij peinzend naar de avondzon keek die stil en kalm wegzonk in de brand van het avondrood en besloot tenslotte dat zijn leven niet alleen gevormd, maar ook geschapen, ja voorbestemd was om zo simpel en eenvoudig te zijn, om uitdrukking te geven aan de volmaakt rustige kant van het menselijk bestaan.
Het lot van anderen, meende hij, is het om uitdrukking te geven aan de onrustige kanten van het bestaan, om gedreven te worden door scheppende en verwoestende krachten: ieder zijn lotsbestemming!
Aldus de filosofie waarmee Plato Oblomov zich had gewapend en waarmee hij zich in slaap suste wanneer de vragen en strenge eisen van plicht en lotsbestemming aan de orde kwamen! Hij was niet geboren en opgevoed als gladiator voor de arena, maar als vreedzame toeschouwer van het gevecht; zijn schuchtere en lome hart zou niet opgewassen zijn tegen uitbarstingen van geluk noch tegen de slagen van het lot - en dientengevolge vertegenwoordigde hij één uiterste van het leven, zonder verdere aspiraties, wil tot verandering of spijt.
Met de jaren verdwenen de onrust en spijt langzamerhand, en zachtjes en geleidelijk voegde hij zich in de eenvoudige en brede doodskist van de dagelijkse sleur, een kist die hij eigenhandig had gemaakt, net als de woestijnkluizenaars die zich uit het leven hebben teruggetrokken en voor zichzelf een graf graven.
527. 'Ja-a, soms lees ik wat, of anderen lezen wat en spreken erover en dan hoor ik het. Nog gisteren bij Aleksej Spiridonytsj was er een student die voorlas..?
'Wat las hij voor?'
'Over de Engelsen, dat ze aan iemand geweren en kruit hadden gegeven. Aleksej Spiridonytsj zei dat er oorlog komt'
'Aan wie dan?'
'Spanje of Indië, dat weet ik niet meer, maar de gezant was zeer ont-stemd:
'Welke gezant?' vroeg Oblomov.
'Dat ben ik ook vergeten!' zei Aleksejev terwijl hij zijn neus op het plafond richtte en zijn hersens pijnigde.
'En met wie komt er oorlog?'
'Met de Turkse pasja, geloof ik'
'Zo, en wat voor nieuws is er nog meer in de politiek?' zei Oblomov na een korte stilte.
'Ze schrijven dat de aarde afkoelt: ooit zal ze geheel bevriezen'
"Toe maar! Wat heeft dat met politiek te maken?' vroeg Oblomov.
Dit bracht Aleksejev in verwarring.
'Dmitri Aleksejitsj had het eerst over politiek, verdedigde hij zich, 'maar toen las hij alles achter elkaar zonder te zeggen hoe het af is gelopen. Ik weet dat het ook nog over literatuur ging'
'En wat las hij over literatuur?' vroeg Oblomov.
'Dat de beste schrijvers van tegenwoordig Dmitrijev, Karamzin, Batjoesjkov en Zjoekovski zijn….'
'En Poesjkin?'
'Poesjkin was er niet bij: dat vond ik ook wel vreemd! Poesjkin is immers een genie, zei Aleksejev, de g als harde g uitsprekend.
538. In de loop der jaren was ze haar verleden steeds beter gaan begrijpen en had ze het steeds dieper verborgen, was ze steeds zwijgender en afweziger geworden. Die zeven jaar die in een flits voorbij waren gevlogen, hadden haar hele leven gehuld in een stralend, stil licht en nu had ze niets meer te wensen over, en nu hoefde ze nergens meer heen.
********************************
550. Oblomovs tragiek is dat hij is geboren in een tijd en voortkwam uit een maatschappij waarin oblomovisme een normale, geaccepteerde manier van leven was - de ware adel arbeidt niet, tenslotte -, maar terecht is gekomen in een wereld die meer lijkt op de onze, waarin de nadruk ligt op werk, carrière en prestaties. In de ene wereld is arbeid een vloek, in de andere het enig zaligmakende. Gontsjarov laat Oblomov te gronde gaan aan het nietsdoen, maar zijn wereld wordt beschreven als een verloren paradijs en hijzelf - ondanks het slechte beheer van zijn landgoed - als een engel. En niets wordt nagelaten om de wereld van de arbeid en de carrière zo negatief en leeg mogelijk voor te stellen. Zelfs Olga voelt, wanneer ze met Stolz is getrouwd en helemaal opgegaan lijkt te zijn in diens wereld van de eeuwige activi-teit, opeens een vaag, onberedeneerbaar gemis. Aan wat precies, dat laat Gontsjarov in het midden, maar het is bijna zeker het verlangen naar althans een klein beetje oblomovisme.
Arthur Langeveld