Dupslog

jan.vanduppen(at)telenet.be

Jan Van Duppen

Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Jan Van Duppen
Artikel

Johan De Boose, Joegoslavië kroniek van zes of zeven landen

Johan De Boose, Joegoslavië kroniek van zes of zeven landen


De Bezige Bij 2025


 


26. Mijn ambitie is niet alleen om te getuigen van het verleden, maar ook om een brug te slaan tussen de laatste generatie Joegoslaven en de nieuwe generatie die in de schaduw van dat verdwenen land leeft. Iemand moet het verhaal verder vertellen. 


‘Als ik met mijn ooggetuigenverslag ook maar een splinter waarheid uit het ingestorte bouwwerk kan overbrengen naar de volgende generatie, dan heb ik niet helemaal tevergeefs gewerkt,’ schreef Stefan Zweig.


 


35. Met Griekenland bekvecht Makedonië niet alleen over de naam en de taal, maar ook over koning Alexander de Grote, die hier in het hart van de stad verrijst als een titanische ruiter tussen naakte oermoeders en mythische monsters. Iedereen is het erover eens dat hij in de vierde eeuw voor Christus een machtig veldheer was, maar de Slavische stammen arriveerden hier pas in de zevende eeuw, dat is duizend jaar na de Grieken.


 


117. Wie heeft de innerlijke verscheurdheid van de Serviërs– meegesleurd door de politiek van hun leiders in een spiraal van geweld en slachtofferschap – op een treffende en onomwonden manier onder woorden gebracht, wars van elke vorm van taboe? Dat was Jelica Novaković in haar boek Gelukkig is wie bijtijds waanzinnig wordt. Het ontstond als een dagboek, geschreven in opdracht van De Standaard en Vrij Nederland, tijdens de navo-bombardementen op Belgrado, en werd nadien gebundeld onder die merkwaardige titel. Over die titel zegt ze zelf: ‘Het is een oud Servisch spreekwoord: gekte bedoeld als ultieme mogelijkheid om je innerlijkheid tegen de wereld te beschermen. Je verkeert in de waan dat je boven deze wereld verheven bent.


Je wordt ongenaakbaar voor de pijn die ervan uitgaat. Om zo’n zin totwijsheid te verheffen moet je je wel een lelijk wereldbeeld gevormd hebben.’ 


In haar dagboek vertelt ze hoe ze in een krant op een zinstuit van een gevluchte Albanese jongen: ‘Ik zou willen dat de Serviërs worden uitgeroeid.’ Jelica’s commentaar zou het motto kunnen zijn van elk verhaal over strijd, wrok en leed: ‘Ondanks het feit dat me deze in zwarte letters gevatte haat als spuug vol bijtend zuur in het gezichtheeft getroffen, probeer ik hem te begrijpen. Niet dat begrip iets zalii Kosovo veranderen aan het bestaan van haat, maar het helpt mij misschien om er niet door besmet te raken. 


Kun je iets anders verwachten van een kind dat de nabijheid van de dood heeft ervaren? 


Kun je iets anders verwachten van mensen die zich in hun etnische behoeften en ambities al decennialang beknot voelen?


En kun je iets anders verwachten van mensen die al decennialang door diezelfde, zich beknot voelendeetnische overmacht uit hun geboortestreek weggepest worden? 


Kun je iets anders verwachten van familieleden van vermoorde politieagenten en soldaten? En kun je iets anders verwachten van mensen die aanbeide kanten gemarteld of gedood zijn, omdat ze andere visies hadden dan hun politieke leiders en niet mee wilden doen aan hun oorlogsspelletjes? 


Haat blijkt onontkoombaar. Als een feniks herrijst hij uit zijn eigen as. Hij laat zich voor elke kar spannen – van geloofsijver tot etnocentrisme, van mythevoer tot eerverlies, van expansiedrang tot verzet, van zelfbehoud tot sadisme. En eenmaal uitgegroeid boven de individuele lotsbestemming kan hij zich ook zonder herkenbare aanleiding vermenigvuldigen.


 


196. Ik ben Tito in de afgelopen jaren zo vaak tegengekomen dat je zou geloven dat hij alomtegenwoordig is. Hij was het, en hij is het nog steeds. Niet overal van harte, niet voor iedereen, maar hij blijft rondspoken. Hoelang nog, vraag ik me af. Eén ding is zeker: hij


heeft zich uitgesloofd om onuitwisbaar te zijn. De persoonlijkheidscultus leerde hij van Stalin, nog vóór hij zijn vadermoord pleegde. Ik ga twee plekken bezoeken, twee eilanden, idyllische plekken, geloof me, je wilt nergens anders meer heen als je daar een keer geweest bent. In Tito’s tijd waren beide plaatsen top secret, verboden terrein, nu kun je er rondlopen en pils drinken, niet te geloven hoe cynisch de geschiedenis is. Als je maar lang genoeg wacht, slijt alles, wordt alles aangeharkt en worden er pizzeria’s gebouwd op de schroeiplekken van de mensheid.


De twee plekken zijn pijlers van Tito’s Joegoslavië, twee uitersten ook: de militaire pijler op het eiland Vis, en de pijler van de internationale samenwerking op de Brijuni-eilanden. Zuilen van oorlog en vrede.


 


229.Het begon in de vroege jaren zestig met lastige studenten van Radmila’s soort. Haar generatie bestond uit de eerste volwassenen in Tito’s Joegoslavië. Zij hadden de oorlog niet gezien, alleen de tijd van opbouw: labeur en terreur in naam van het marxisme. Ze hadden de naweeën gezien van het stalinisme en de breuk ermee. Ze wilden terug naar de idealen, naar vrijheid en openheid, weg van de bureaucratie, los van de hiërarchie.


Ze wilden het marxisme ‘in de praktijk’ brengen, en dus stichtten ze een tijdschrift dat Praxis heette. Steun kwam uit alle hoeken van de linkse school en van de zogenaamde godfathers van de kritische geest: Habermas, Bloch, Sartre, Adorno, Kolakowski, Lukács, Marcuse en marxisten uit de beide Amerika’s. In Joegoslavië zelf waren er de filosoof Slavoj Žižek en de toneelschrijver Slobodan Šnajder.


‘We ruilden massaal het platteland in voor de stad,’ zegt Radmila.


‘Ik denk dat we begonnen met een paar honderdduizend. Eind jaren zestig waren we naar schatting met twee à drie miljoen. De kloof tussen de boeren en de kosmopolieten was niet meer te dichten.’


‘Waar stonden jullie voor?’


‘Je bedoelt: waar waren we tégen? We waren tegen de rode bourgeoisie en tegen de kapitalisten. En we waren antinationalistisch. We wilden terug naar de bron. Helderheid.’


‘Glasnost en perestrojka,’ zeg ik, ‘openheid en ommekeer, de hervormingen die de laatste president van de Sovjet-Unie twintig jaar later wilde. Behoud het systeem, maar haal de klad eruit.’


‘Wij gaven het een andere naam,’ zegt Radmila. ‘Wij waren de avant-garde. Andere communistische landen benijdden ons. Niet alleen omdat de overheid ons gedoogde – althans aanvankelijk, later werden we verketterd – maar ook omdat we tien jaar lang jaarlijks eind augustus Summer School hielden op het eiland Korčula.’


‘De vermeende geboorteplaats van Marco Polo.’


‘Exact, een afgedreven puzzelstuk van Venetië.’


‘De Korčula Summer School was Marx on the beach, las ik ergens.’


‘Beeld je in: lange tafels op de kade in de schaduw van platanen, Das Kapital in onze broekzak, het portret met de bebaarde Marx aan de muur. Het was onze ontdekkingsreis door de geest, de spirit vanMarco Polo onderweg naar de utopie. 


 


326. En toen gebeurde er iets ongeziens in Belgrado. De gangbare visie is dat Joegoslavië uiteenviel omdat Slovenië en Kroatië alle banden doorknipten, maar bij Raymond Detrez lees ik een verrassend andere interpretatie. 


Op 28 september 1990 werd in het Servische parlement namelijk een nieuwe Servische grondwet goedgekeurd, waarmee Servië zich de facto ‘buiten het Joegoslavische federale staatsverband plaatste’. Begrijp ik het goed? Servië heeft de felbevochten broeder schap en eenheid dus feitelijk zelf afgezworen, en daarmee ook een mogelijke toetreding tot de Europese Unie ondermijnd. Ja, precies, en dezelfde grondwet schafte de autonomie van Kosovo en Vojvodina af, stelde Servië in staat om buiten de Joegoslavische Volksbank om dinars bij te drukken ter financiering van de oorlogseconomie, en maakte het mogelijk miljarden D-mark uit de staatskas te ontvreemden.


Op mijn bankje onder de bomen op het Plein van de Republiek in Ljubljana maak ik de cirkel rond.


25 juni 1991: de Republiek Slovenië is geboren, de menigte vult het


plein, de president keurt de troepen, de vlag met de rode ster wordt gestreken, de nieuwe vlag wordt gehesen, vuurwerk, fakkels, volkslied, applaus, dansende jongeren in klederdracht. ‘Waarom zouden we nou op iemands tenen trappen?’ vraagt de nieuwe Sloveense president Milan Kučan zich hardop af. 


Op hetzelfde moment stromen de Joegoslavische troepen al samen bij de grens, het luchtruim gaat dicht, en iedereen wacht nerveus af wat er in de volgende vierentwintig uur gaat gebeuren.


Mijn alleroudste Sloveen schudt het hoofd omdat de geschiedenis zich herhaalt: niet vierentwintig maar achtenveertig uur later rolt het federale leger Slovenië binnen, het probeert tien dagen lang de orde te herstellen, maar wordt omsingeld door gewapende Slovenen, verliest een vijftigtal manschappen en keert schokschouderend terug naar


Belgrado.


 


353. Medjugorje stelt je verbeelding op de proef, je moet heel diep geloven om iets te zien, gelovigen zeggen me dat je het in elke porie voelt, bijvoorbeeld in de energie van honderden, duizenden zwijgende stervelingen bij elkaar, en geloof me, ik heb het gedaan, ik ben deel geweest van het zwijgen waarin het ik niet meer telt. Het is wonderbaarlijk, ik geef toe: leegte, stilte, luisterrijk niets, verbeelding, het verdwijnend ego, een glimp van hoop over de dood heen, vertrouwen in iets wat je niet weet, nooit zult weten, nooit zult zien, alleen maar kunt benaderen. Als ik het zo zeg, lijkt het verdacht goed op wat


een verhalenschrijver doet wanneer hij schrijft: je beeldt je een wereld in, met plaatsen en personages, en het doet er niet toe of het waar is of niet, want het is waar zodra je het opschrijft.


 


483. Ik hoor de proteststem van Bakira Hasečić, oprichtster van Association of Women Victimsviii Bosnië en Herzegovina of War, die door de politie werd verkracht en zeventien familieleden verloor, en die al jaar en dag tevergeefs ijvert voor een plaquette op ‘de bloedigste brug ter wereld’ om de duizenden doden te eren. Alsik haar zie moet ik denken aan getuigenissen van andere vrouwen:


‘Oorlog heeft geen gezicht, maar in Joegoslavië leek het erg op de pijn van een vrouw’ (Slavenka Drakulić); ‘Vrouwen waren het gemakkelijkste doelwit’ (Mira Furlan); ‘Er is een patroon in oorlog; de eerste vijand is een vrouw’ (Dubravka Ugrešić) Het doet me denken aan schrijfsters die een lans breken voor het individu: ‘Individuele lotsbestemmingen zinken weg, kleine levens versmelten tot één grote valse massa-gebeurtenis die steeds opnieuw haar statistische verhaal herhaalt’ (Daša Drndić). Ik hoor de doodskreet van vrouwen, mannen en kinderen die met vijf kogels in hun lijf in de rivier worden gedumpt.


Ik hoor het gehuil van meisjes van dertien die in een cel, in een truck of op een smerig toilet verkracht worden. Ik hoor het dronken gebral van gangsterbendes, tragisch genoeg gesteund door nuchtere, koelbloedige moordenaars als Arkan, Šešelj, Karadžić en Mladić, mannen die de waanzin en de wraakzucht hadden kunnen stoppen, maar dat niet deden, integendeel. Ik hoor het gehuil van mensen die aan auto’s vastgebonden door de straten gesleept worden. Ik hoor het klotsen van het water tegen verminkte lichamen. Ik hoor het geknetter van huizen die in brand worden gestoken met honderden mensen erin.


 


550. Eén keer per jaar houden Elmir en Goga hun filmfestival, ze nodigen dichters, muzikanten, professoren, beeldend kunstenaars, ambassadeurs, ingenieurs en acteurs uit, van heinde en verre, er is koffie in reuzencezves, wijn in reuzenkruiken en in het vuur van de avond tovert iemand reuzenrakia tevoorschijn. De gesprekken stokken nooit. Als ze te vurig worden pakt iemand een gitaar en begint iedereen te zingen, een allesverzoenende remedie, oeroude Bosnische liederen die iedereen kent, want iedere Joegoslavische ziel


is een oude ziel, muziek dempt alle kloven, beslecht alle twisten en zet de tijd stil, zodat het weer even Joegoslavische tijd is, de illusie van broederschap en eenheid.

Johan De Boose, Joegoslavië kroniek van zes of zeven landen