Dupslog

jan.vanduppen(at)telenet.be

Jan Van Duppen

Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Jan Van Duppen
Artikel

Juan Gabriel Vásquez - De namen van Feliza

Juan Gabriel Vásquez - De namen van Feliza


Uitg. Meulenhoff 2026


 


17. Maar herinneringen, vooral de pijnlijke, komen niet zomaar als we ze oproepen; we moeten ze verleiden, ze zijn als schichtige dieren die niet dichterbij durven te komen, en soms moeten we ze wat aas voorhouden om ze uit hun schuilplaats te lokken. Ik had me willen verontschuldigen omdat ik hem dwong om die moeilijke momenten terug te halen, omdat niemand zoiets zou moeten doen om andermans belang te dienen, omdat het recht op vergetelheid eigenlijk heilig zou moeten zijn. Was ik een indringer, een lastpak, omdat ik dingen wilde weten over Feliza Bursztyn, haar zelfs wilde leren kennen voor zover mogelijk, zo goed althans dat ik de wereld door haar ogen kon vertellen?


 


73. Een echte persoon, iemand die op de wereld is geweest en getuigen heeft achtergelaten, die met zijn lichaam een fysieke ruimte heeft ingenomen vergelijkbaar met die van ons, levert de verbeelding een reeks problemen op. Ik las in die dagen ‘Op zoek naar de verloren tijd’, de roman van Marcel Proust die we nooit uitlezen, en vaak kwam er in mijn herinnering een passage terug waarin Françoise, de vrouw die bij Marcels familie werkt, op de romanpersonages neerkijkt omdat ze niet echt zijn. Maar voor Marcel is hun onechtheid of nietbestaan juist een deugd, we kunnen ze daardoor immers beter waarnemen: echte mensen nemen we waar met onze zintuigen, waardoor ze altijd iets ondoorzichtigs hebben, een soort dood gewicht dat we met ons zintuiglijke vermogen niet opgetild krijgen; een nietbestaand personage nemen we echter niet waar met de zintuigen, maar met de ziel, en daarom, zo lijkt Marcel te suggereren, kunnen we doordringen tot zijn diepste waarheid: we kunnen het echt begrijpen.


 


210. Nee, Feliza was geen open boek; ze leefde eerder het soort leven dat geen biografie kan navertellen, zelfs niet die van haar eigen moeder als die het einde had gehaald. En hier was ik nu, ik probeerde haar wel te vangen, of liever gezegd haar op te sluiten in proza, zoals in het gedicht van Emily Dickinson. Maar het proza in het gedicht is het vulgaire, conventionele, beknotte leven, en de vrouw die spreekt ontsnapt uit haar opsluiting met de kracht van haar geest: haar geest is als een vogel die je vastzet, zijn wil volstaat om de vrijheid tegemoet te vliegen. Hieraan dacht ik toen ik aankwam op de begraafplaats, met het gevoel alsof er een einde kwam aan een lange reis, want er waren zevenentwintig jaar verstreken sinds de middag waarop ik, tijdens mijn eerste periode in Parijs, de column las die García Márquez had gepubliceerd na de dood van zijn vriendin Feliza.


Ze is van verdriet gestorven, schreef García Márquez daar, en het was op dat moment dat ik me voor het eerst had afgevraagd waarom Feliza verdrietig was, het moment waarop ik mezelf had geantwoord dat ik daar nooit achter zou komen: ik niet en niemand niet, want er zijn waarheden die met de dode het graf in gaan en die zelfs hun meest dierbaren niet zullen weten. Ze bevinden zich in een gebied van ons bewustzijn dat niet toegankelijk is, dat onzichtbaar is en hopeloos diep verborgen zit, en er is niets wat we kunnen doen om daar te geraken.


Of bijna niets.