Luc Devoldere, Zwerven langs de limes - de randen van het Romeinse Rijk
Athenaeum 2024
83. ‘ Je moet op eigen benen staan, niet op de been gehouden worden.' Marcus Aurelius, Persoonlijke notities, III, 5
110. In oktober 1944 moest Radnóti de zich terugtrekkende Hongaarse milities volgen vanaf het kamp in Bor (Servië). Die mars zou voor de meeste gevangenen de dood betekenen. Na meer dan zevenhonderd kilometer werd hij in de buurt van het Hongaarse dorp Abda doodgeschoten en in een massagraf gedumpt. Toen zijn lichaam een jaar later werd opgegraven, vond men in zijn jaszak zijn laatste gedichten. Het laatste was op 31 oktober geschreven in de buurt van Szentkirálysza-badja:
Postkaart 4
Ik viel naast hem en zijn lichaam rolde om.
Het was al strak als een snaar die op knappen staat.
Met een nekschot afgemaakt. 'Ook jij komt zo om,' fluisterde ik bij mezelf. 'Lig stil en verroer je niet.
In het geduld ligt de dood in het verschiet.?
'Der springt noch auf,' kon ik boven me horen.
Op mijn oor droogde modder met bloed tot een koek.
(Vertaald door Sven Cooremans en Noémi Veres-Péter)
'Zo eindigt de fiets ergens op een manier die past, glimlacht Jelica. Het is een verhaal dat hier, in dit tussengebied, waar de Balkan overgaat in Midden-Europa en waar geschiedenis nooit overgaat, moest worden verteld.
175. Gesprek aan de rand van Azië
‘Om alleen en vrij als een boom te leven
en broederlijk als een bos, dit verlangen is van ons...’
Nazim Hikmet
220. Godsdienst is radicaal in deze streken waar het monotheïsme tot drie keer toe is uitgevonden: eerst door de Joden met hun jaloerse goduit de woestijn; dan door de christenen met een God die mens werd, en dan door een profeet die God weer aan alle blikken onttrok.
236. Wat zijn we hier komen zoeken?
Niets onthult beter de bijgedachten van een samenleving dan haar voorposten, schreef Régis Debray in zijn Éloge des frontières: verwijder je van de hoofdstad als je de diepte in wilt gaan, neem de weg die loopt langs de borstwering. Dichter bij die voorposten komen we niet.
Hier, in de marge van een wereldrijk, de rafelige rand, de lege periferie, werd gewaakt over het centrum, het model, de eigen superieure beschaving.
Laten we nuchter blijven: in deze buitenposten heerst verveling; de levensomstandigheden zijn hard, er is schaarste, seksuele onthouding, alleen de militaire routine structureert de leegte. Slechts de confrontatie met de vijand geeft zin aan het wachten en aan het leven zelf. Maar de ware vijand laat zich niet zien: nu en dan duiken er rovers op, die ook weer verdwijnen op hun snelle kamelen. Meer dan vertwijfeling ligt lethargie op de loer, contactverlies met de werkelijkheid. Grenssoldaten komen in een soort limbo terecht, een wachtkamer, maar van wat?
Het centrum, de hoofdstad van waaruit de missie komt, de opdracht om hier het rijk te beschermen, lijkt plotseling heel ver, onbereikbaar, vervreemd. Wil je nog terug? Wil je nog brieven krijgen van thuis? Waar is thuis? Zijn er nog 'barbaren? En als er geen meer zijn, wat moeten we dan doen? Want die 'barbaren' gaven zin en betekenis, garandeerden een soort van oplossing, zoals in 'Wachtend op de barbaren', het gedicht van Kavàfis, waarin men tot de ontdekking komt dat de barbaren niet komen, omdat er aan de grenzen geen barbaren (meer?) blijken te zijn.
Ik heb hier de ingrediënten van drie romans over grenzen en hun bewakers binnengesmokkeld: Il deserto dei Tartari (1940) van Dino Buzzati, Le rivage des Syrtes (1951) van Julien Gracq en Waiting for the Barbarians (1980) van J.M. Coetzee.
Het fort in Buzzati's boek ligt aan een noordgrens, en de Tartaren zijn een mythisch volk van wrede oorlogszuchtigen, eerder nog dan de echte Mongolen. Bij Gracq is Orsenna de beschaving in verval, een soort Venetië, en Farghestan aan de andere kant van de zee, misschien het Ottomaanse Rijk, waarmee Orsenna al eeuwen in een drôle de guerre verkeert. Coetzee maakt van zijn garnizoensstad aan de grens van een woestijn een vage plek, maar heeft het eigenlijk over Zuid-Afrika: zijn magistraat gaat uiteindelijk sympathie koesteren voor de 'vijand'. Misschien zijn dit soort boeken typisch 'Europese' boeken, omdat alleen Europa twijfelt aan zichzelf terwijl het zich teweerstelt tegen wat het bedreigt.
Daaraan dacht ik op de toren van het fort van Qasr Bshir.
(…)
Bij het afscheid bezweert Shadi ons dat hij ons leven zal veranderen als hij ons in de woestijn van Wadi Rum mag rondvoeren. Als wij willen, zal hij voor ons zelfs Lawrence of Arabia naspelen, maar over de met een liniaal willekeurig getrokken lijnen van Sykes-Picot is hij niet te spreken. Ze hebben zijn wereld bruut verkaveld. Nomaden begrijpen geen grenzen, althans niet dat je aan een grens niet meer verder kan of mag.
Hij heeft mij vriendelijk uitgelachen omdat ik maar één vrouw heb en
heeft kamelenmelk als afrodisiacum aangeprezen. Zelf is hij ooit met een Russische getrouwd geweest, maar heeft hij begrepen dat mijn dochter alleen is maar niet eenzaam? Hij waarschuwt haar voor zijn gehavende lichaam dat ze bij hun eerste liefdesnacht zal zien - gehavend, sinds die grot in Petra toen hij, een jongen nog, met vuur speelde en zijn boernoes in brand vloog. Maar de schade valt best mee, verzekert hij haar. Van zoveel zelfzekerheid zijn wij, gekomen uit dat werelddeel dat twijfel en ironie heeft vergoddelijkt, sprakeloos.
238. Pyrrho gaat door voor een van de eerste sceptici. Het scepticisme is een filosofische stroming die na scherp doordenken tot de vaststelling komt dat de waarheid niet bestaat, of niet te bereiken is. Beter is het zich te onthouden van een oordeel en zo onverstoorbaarheid, zelfs onverstoordheid na te streven.
De filosoof Sam IJsseling heeft de 'postmoderne conditie' ooit
omschreven als ...het wegvallen of ontbreken van een centrum, het leven in meervoud, het wantrouwen ten aanzien van de idee van vooruitgang, het opschorten of uitstellen van een definitief oordeel of een exclusieve keuze, en het besef dat alles al eens jeerder is gedaan, gedacht en gezegd... Zo zie je maar waar het postmodernisme vandaan komt.
261. Bibliotheken moeten verzamelen. Daarin, in het opbergen en archiveren, zit toekenning van waarde: dingen worden waardevol omdat men er plaats voor inruimt, een nummer aan geeft. Maar wie deponeert, seponeert. Hij maakt de dingen onaanraakbaar, dood. Dat is de paradox: in de cultuur, de cultus van het bewaren, zit de dood van het bewaarde ingebouwd. In die zin is elke cultuur 'alexandrijns': het vergt beschaving om te bewaren, maar wie bewaart, mummificeert. Plato had geen bibliotheek, omdat hij het vastgelegde woord wantrouwde; Aristoteles wel, omdat hij de werkelijkheid in al zijn facetten observeerde en wilde vastleggen, en dus naast zijn planten- en mineralencollecties en terraria boeken nodig had. De bibliotheek, de verzameling als depot, is het begin van cultuur en het begin van decadentie. Misschien had Plato dat voorzien en is hij daarom de reactionair geworden die met zijn rug naar de beschaving ging staan, hunkerend naar een vastgelegd, gesloten paradijs.