Dupslog

jan.vanduppen(at)telenet.be

Jan Van Duppen

Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Jan Van Duppen
Artikel

Philippe Lançon De Flard

 


Philippe Lançon De Flard


Uitg De Geus 2020


 


 


34.  Onder de 'gasten' bevond zich Daniel Ortega, die geen marxistische guerillastrijder meer was en nog geen christelijke caudillo, en die op zijn cowboylaarzen net een straatjoch leek uit de oude arbeiderswijken. Ik stond paf: ik had (zonder veel overtuiging weliswaar) in de sandinistische strijd geloofd. De man die ik hier voor mij zag, herinnerde me aan bepaalde reportages in de banlieue, toen je daar nog vrolijk en op je gemak heen kon. Toen ik met hem praatte, vroeg ik me af of hij net als sommige 'banlieuejongeren' - een uitdrukking die in opkomst was - van Saddam een 'lokaal' of toelage zou eisen om zich belangrijk te voelen. Was dit echt de gewezen president van Nicaragua? Telkens als hij in de grote eetzaal opdook, vond ik hem kleiner en zieliger. De man was aan het krimpen. En al krimpend liet hij de geschiedenis - die inhalige hoer - mee verschrompelen. Hij was toen nog geen christelijk demagoog geworden. 


Louis Farrakhan, de zwarte topman van Nation of Islam, gaf blijk van een goed stijlgevoel en volslagen minachting. Geflankeerd door zijn lijfwachten liep hij in zijn zwarte pak zonder een valse vouw door de lounge vol witte mensen alsof ze lucht waren. Soms gaf hij hun antwoord, aangezien sommigen van hen journalist waren; maar hij antwoordde zonder hen aan te kijken. Ik voelde me net een Jood die een nazi interviewt in een wereld waarin die eerste nog niet door die laatste is afgemaakt. Daarvoor was je hier aan het juiste adres: de boekwinkels in Bagdad hadden Mein Kampf in de etalage staan. De Arabische wereld hoefde niet op het ontstaan van internet te wachten om complottheorieën te verspreiden waarop ze geen monopolie had. Zulke theorieën waren er in alle kleuren en maten, blauw, groen en rood, ze waren allemaal even dom en droegen bij aan de totaal surrealistische sfeer.


 


53. Het geroep, gelach en getier deden me aan Cuba denken, een eiland waar de mensen luid praten en hun sterk wisselende stemmingen de vrije loop laten, als gekken in een gesticht waar niemand hen hoort, en waar ze zoveel wartaal uitslaan dat ze vroeg of laat gelijk krijgen. Waarschijnlijk zou ons oude satirische weekblad zijn laatste dagen hier slijten, we wisten dat het voor binnenkort was en berustend lachten we erom. We? Hoorde ik bij die 'we'? En wat betekende dat, als ik daarbij hoorde?


 


64. Charlie had tot de zaak met de Mohammedkarikaturen in


2006 een toonaangevende rol gespeeld. Dat was een beslissend moment: de meeste kranten, zelfs een aantal die vermaard waren om hun tekeningen, distantieerden zich van een satirisch weekblad dat in naam van de vrije meningsuiting die karikaturen publiceerde. Sommige deden het om hun zogenaamd goede smaak te afficheren, andere om het moslimproletariaat niet te demoraliseren. Je waande je nu eens in een theesalon en dan weer in een replica van een stalinistische cel. Dat gebrek aan solidariteit was niet alleen een professionele en morele schande. Doordat het blad geisoleerd werd en met de vinger nagewezen, werd Charlie een nog groter doelwit voor moslimstrijders. In de daaropvolgende crisis haakte het merendeel van de extreemlinkse lezers af, en ook de culturele boegbeelden en trendsetters, die het blad een paar jaar lang hip hadden gemaakt. Daarna werd de neergang van Charlie door een hele reeks nieuwe kantoren bezegeld die óf lelijk, óf afgelegen waren en ons slechts naar het oude hoofdkantoor in de rue de Turbigo in hartje Parijs en zijn ruime werkvloer met de grote raampartijen deden terugverlangen. De onguurste, die op een buitenrondweg lagen, vlogen in brand toen er op een nacht in november 201I een molotovcocktail naar binnen werd gegooid.


 


70. De vader van Héctor, een militante democraat, werd in


I987 op een stoep in Medellín door paramilitaire moordenaars omgebracht. Zijn zoon kwam vlak daarna ter plaatse. In een zak van zijn vaders pak vond hij een aan Borges roegeschre-ven gedicht, dat met het vers begint waaruit zijn boektitel voortvloeide: 


'We zijn al het vergeten dat ons wacht'. 


Het is de talisman en het laatste spoor, het laatste mysterie van de dode. Aangezien het niet een van de geinventariseerde werken is, wordt de authenticiteit ervan betwist. Héctor zoekt overal ter wereld naar de onbekende herkomst ervan. Die zoektocht is het thema van zijn tweede boek, Traiciones de la memoria (Verraad van het geheugen). Nagaan of het een vals vers is of niet wordt een cruciale kwestie. Het is de boodschap die zijn vader hem onbedoeld naliet. Het onderzoek naar de sporen van een abrupt afgebroken leven is het enige wat ons nog rest als de dood de mensen heeft weggerukt die we missen, en het laat ons in zekere zin alleen achter op de wereld.


 


135. Omdat ik niet kon kussen, viel ik al snel terug in een reflex uit mijn kindertijd: als mensen me een kus kwamen geven, bood ik mijn voorhoofd aan hun lippen aan. Hun hele mond raakte mijn haar. Ik heb er twee jaar over gedaan om die voorhoofdreflex af te leren.


De laatsten die ervan mochten genieten, waren mijn ouders.


 


198.Ik wist dat elke handeling van het team een metamorfose voor mij betekende. Ik kwam er soms aan met een boek verstopt onder het laken: Brieven aan Milena van Kafka. Ik was er die ochtend vlak voor de derde operatie in begonnen en terwijl ik op mijn brancard tegen de muur lag te wachten om te worden binnengereden, haalde ik het boek van onder de lakens, aangezien Annie afwezig was, en las een paar fragmenten, waaronder dit: 'Het gaat dus slecht met je, slechter dan ooit sinds ik je leerde kennen. En die onoverbrugbare afstand die boven op je lijden komt heeft hetzelfde effect: alsof ik in je kamer was en je me amper zou herkennen en machteloos van je bed naar het venster liep te ijsberen en niemand, geen enkele dokter zou vertrouwen, en naar de sombere lucht zou kijken die zich na alle geintjes van de laatste jaren in zekere zin voor het eerst in haar volle troosteloosheid aan mij zou tonen ..’


 


214. Mensen schreven me niet zozeer om me gerust te stellen als om zelf te worden gerustgesteld: hoe zou een kreupele ook kunnen worden gerustgesteld door een stel blinden die hem zuchtend, steunend en jubelend uitleggen dat hij weldra weer op twee benen zal staan? Sta op, idioot, en gij zult lopen! Ik begon te merken dat het slachtoffer twee keer werd gestraft: hij was niet alleen verantwoordelijk voor zichzelf, maar ook voor de mensen die hij niet mocht teleurstellen. Hij moest de zwakheid van anderen verwelkomen en dulden, die anderen over wie mijn ruwe fysiotherapeute me veel later zei tijdens het martelen van mijn nek met haar bankschroeven van handen, voordat ze me een chocolademelk of koffie aanbood: 'Luister niet naar hen, ze leven niet in de realiteit? Ze leefden anders wel in een wereld die via al zijn politieke en culturele kanalen deze realiteit verheerlijkte. In het echte leven was dat zoals altijd maar een façade. 


 


262. 'Wilt u een beetje muziek?'


Dat wilde ik wel, maar niet zomaar iets. Op de gettoblaster van mijn neef zette ik Bach op: Das wohttemperierte Klavier door Svjatoslav Richter, de Goldbergvariaties door Glenn Gould of Wilhelm Kempff, of Die Kunst der Fuge door Zhu Xiao-Mei.


De muziek van Bach gaf me net als morfine een beetje verlichting. Maar ze deed meer dan verlichting brengen: de muziek smoorde ook elke verleiding om te klagen, elk gevoel van onrechtvaardigheid en vervreemding van mijn lichaam in de kiem. Bach daalde neer over de kamer, het bed en mijn leven, de verpleegkundigen en hun kar. Hij omhulde ons allemaal.


In het licht van zijn klanken tekende elk handeling zich af, en vrede, een zekere vrede, vulde de kamer. Ik begreep plotseling een preek van John Donne die ik lang geleden had gelezen:


'Daar zal geen wolk zijn en geen zon, geen duisternis en geen verblinding, maar een en hetzelfde licht, geen lawaai en geen stilte, maar een gelijkklinkende muziek, geen vrezen en hopen, maar een eeuwig bezitten, geen vijanden en geen vrienden, maar een eeuwige gemeenschap, geen eindigen noch beginnen, maar een eenzelfde eeuwigheid.’ De verbandwisseling kon beginnen. 


 


265. De Sierra Maestra was verboden gebied voor buitenlandse


journalisten. Vergunningen werden mondjesmaat verstrekt voor specifieke propagandadoeleinden - of wat volgens de Cubaanse bureaucratie specifiek was. Wie zo'n vergunning had werd in de gaten gehouden. We konden het verbod ook schenden en er zomaar heen gaan, maar dat was een kat-en-muisspel. Als je zoals Alexis in Havana woonde, kon je er het land voor worden uitgezet.


Het dorp heette La Bruja, 'De Heks'. Het was een modeldorp.


Alexis maakte zich geen illusies over de redenen waarom de overheid hem via een vriendin naar dit Potemkin-dorp had gestuurd, maar hij wilde in de Sierra Maestra werken en hij wist dat het hele eiland zodanig rot was dat het vernislaagje van de propaganda niet lang stand kon houden. Hij hoefde alleen maar geduldig te zijn, Spaans te spreken en het vertrouwen van een paar inwoners te winnen. Hij wilde die vrouwen en mannen in die bergachtige omgeving laten zien en hun armoedige, sobere leven vastleggen. Ze bezaten niets of bijna niets, behalve wat lompen, soms een of twee varkens, drie schriele kippen en een samengeraapt servies. De meesten liepen blootsvoets door de steile bergen, waar ze op een helling moeizaam een lapje grond bewerkten. En toch ontstond uit al die ellende vol onmiskenbare bekrompenheid en jaloezie een grootsheid - een spontane, stille grootsheid die vastgelegd was in de foto die Alexis had meegebracht. In het hele dorp was er slechts éen generator, één tv en éen gek. In mijn appartement hing lange tijd een foto van die dorpsgek.


Op de foto die Alexis zonder iets te zeggen tegenover mijn bed tegen de muur van de kamer had gezet, stond een meisje. Ze droeg een wit topje dat haar navel vrijliet en stond tot aan haar middel in een veld met bloemen die op anjers leken en waarvan ik dacht dat het tabak was. Op de foto waren ze wit. In werkelijkheid waren ze oranje. Het meisje keek recht in de lens, met een onbestemde, misschien ernstige, misschien geamuseerde blik; kinderen zijn meestal niet te vatten in de psychologische hokjes waarin we ze willen duwen. Nu keek ze naar mij. Naar mij, mijn verband en het gat. Ze hield zo'n bloem in haar linkerhand. Ik heb Alexis niet gevraagd waarom hij uit al zijn foto's die ik kende juist deze foto van het paradijs had gekozen. Daar had ik geen behoefte aan. 


 


281. Maar ik kan geen sociale psychologie toepassen op de moordenaars die ze voortbrengt. Net als voor inspecteur Columbo blijft het belangrijkste gebod van een beschaving voor mij: 'Gij zult niet doden.?' Niets kan de overtreding vergoelijken waarvan ik de gevolgen heb gezien en ondergaan.


Ik voel geen woede voor de gebroeders K, want ik weet dat ze een product zijn van deze wereld, maar ik kan niet simpelweg een verklaring voor hen verzinnen. Iedere mens die doodt, wordt bepaald door zijn daad en door de doden die om me heen blijven liggen. Mijn ervaring gaat op dit punt mijn verbeelding te boven.


Marie-Laure Meyer weidde verder uit:


'Kunnen we momenteel van een oorlog spreken? Ik denk het niet, deze daden lijken meer op zelfmoord, want oorlog is niet alleen vernietiging, maar ook verovering. Kunnen we spreken van een falen van de Franse Republiek? Jazeker, door gettovorming, discriminatie ..?' Hier hou ik op. Haar monoloog is te lang om te lezen en hier over te nemen. Niet omdat haar argumenten niet kloppen; ze blijven meer gepast dan een voldane grijns waarmee een mens helemaal alleen terug naar de hel wordt gestuurd waarin hij leeft, en die hij overal om zich heen verspreidt. Alleen hebben deze humanistische betogen de afgelopen dertig jaar, misschien zelfs de afgelopen eeuw, niets opgeleverd. Mijn kamer zuiverde de lucht van woorden die in te grote kleren zweefden en ze nutteloos hadden gemaakt.


Monologen eindigden allemaal in de slangetjes.


 


314. Ik had boeken gelezen waarin het verband tussen fotografie


en de dood werd uitgelegd. Over het algemeen vond ik ze langdradig, maar ze konden als volgt worden samengevat: wat vastgelegd is, bestaat in de volgende seconde al niet meer; wat we zien is het bevroren spoor van een ogenblik, van een leven dat voorbij is, en zelfs dit spoor zal uiteindelijk verdwijnen. Wat we uiteindelijk zien is het concentraat van al die verschijnselen. Het is dus geen werkelijkheid, herinnering, hersenschim, droom of verrijzenisritueel, maar een beetje al die dingen tegelijk. Ik had net als iedereen kunnen controleren of het klopte door naar foto's uit mijn kindertijd en mijn jeugd te kijken, of zelfs van de vorige dag; door vooral naar jeugdfoto's van mijn vader en moeder te kijken, die ik bij hen of bij mijn grootmoeder van moederskant had gevonden en die ik had bewaard: ik had sommige ervan op vellen A4-papier geplakt met gedichten die me, toen ik ze schreef, hielpen me die voorbije levens toe te eigenen. Ik maakte die werkjes in de periode na de dood van mijn grootouders, toen ik begon te voelen dat mijn ouders hen uiteindelijk zouden volgen. Hoe meer ik in hun verleden terugging, hoe minder snel ze zouden verdwijnen. Het waren magische werkjes. En uiteindelijk was ik het die hún bijna was voorgegaan op de souvenirfoto.


 


351. Ik was systematisch bedekt met wonden. Die toename had niets met een wonder te maken, maar daardoor was ik wel gefascineerd geraakt door het tastbare. De actualiteit was net als veel dingen een nutteloze passie geworden. Misschien leek ik nu op mijn grootouders van vaderskant, die zichzelf beperkten tot een sterk gereduceerde wereld en erin leefden alsof de buitenwereld hen alleen maar kon afleiden, beinvloeden en vooral schade berokkenen. Ze leefden in het donker, deden alle lampen uit als ze een kamer uit gingen en lieten er alleen een branden waar ze zaten. In mijn kamer had ik geen nutteloze lampen meer nodig. Ik wilde alleen maar echte lampen. Er was het kille neonlicht, het nachtlichtje dat nauwelijks minder kil was, de rode staande lamp die Caroline voor mij had meegebracht, de zoutlamp die Florence me had opgestuurd en de Lumio-lamp in de vorm van een accordeon die je moest uitvouwen en die een andere Florence had opgestuurd. Ik knipte ze achter elkaar aan als een lantaarnopsteker, dat was de opdracht. Mijn opdracht die slechts mijn humeur volgde en het beeld van wie hem had gebracht en aan wie ik, tijdens het aanknippen, dacht als aan een vriendelijke fee.


Ze gaven allemaal zacht en warm licht, maar ik kon er niet echt beter door lezen, vooral's avonds niet. Mijn zicht was een stuk slechter geworden na de transplantatie, net als na de aanslag, of ik kon me niet langer concentreren.


 


382. Op mijn dertigste had ik in een hotel in Cambo-les-Bains tijdens Marilyns dutje een zin van Milan Kundera gelezen die ongeveer zo ging: 'Niets wordt vergeven, alles wordt vergeten’. Ik had niemand iets te vergeven, zelfs de moordenaars niet, die moordende schimmen die door weet-ik-veel-welk noodlot waren gestuurd, maar ik had geen tijd nodig om te vergeten. De tijd begon me eraan te herinneren dat hij bestond. Ik verzette me ertegen en dat verzet vergde nieuwe inspanningen en bezorgde me nieuw verdriet. Vrijwel onmiddellijk loste ik mijn inzinkingen en verdriet op, alsof alles vanaf nu baadde in het napoleontische werk van mijn lichaam: het had geen energie te verliezen aan de herinnering van wat overbleef, het was op oorlogspad, voerde het ene gevecht na het andere en legde overal beslag op, paarden- en mankracht, van de laatste infanterist tot de eerste generaal.


De zweverigheid van de eerste weken was naar een kelder of een zolder verbannen en ik herlas de enkele beschrijvingen die ik er voor anderen van had neergepend in mijn notitieboekjes bijna zonder ze te begrijpen. Het was net als de vragen die aan de agenten en verpleegkundigen werden gesteld: het leek op een toneelstuk waarin twee derde van de replieken ontbrak, en de belangrijkste nog wel. De geschreven woorden stonden stil, als vaste sterren aan een hemel waar ik niet meer bij kon - of hel. Andere staten, andere gewaarwordingen, andere hellen jaagden de vorige weg, zonder dat er sprake was van een wedstrijd of hiërarchie, en om ze te kunnen beschrijven had ik een woordenschat moeten vinden die zowel bruut als vloeiend was, gebaseerd op beweging, routine, verdriet en vergetelheid; een woordenschat en zelfs een grammatica die zichzelf bij elke etappe zouden hebben vernieuwd, om de overgang van levende naar dode taal te voorkomen. 


 


405. Ik was sinds mijn kindertijd niet meer in het Invalides geweest en wist niet dat er een ziekenhuis was gevestigd. Ik dacht dat hier alleen een museum, een grote binnenplaats en een graf waren. Een standbeeld van Napoleon keek uit over de grote binnenplaats en het graf was het zijne. Dat was passend: totdat mij werd uitgelegd dat hij 'Europa in brand had gezet en dood en verderf had gezaaid', was hij mijn held geweest. Ik kende hem uit een groot plaatjesboek dat Napoleon voor kinderen heette en ondanks allerlei historische lectuur naderhand en meerdere humanistische aanmaningen moet ik bekennen dat hij niet echt van zijn voetstuk is gevallen, waarschijnlijk dankzij De Kartuize van Parma, Kolonel Chabert en Chateaubriands beschrijving van de dikke Lodewijk XVIII en zijn bende emigranten die uit ballingschap waren teruggekeerd en tussen de soldaten van het Eerste Keizerrijk paradeerden: literatuur is een onverwoestbare koets die je meeneemt naar intieme wensen die gerichte strelingen weerstaan. Ik las nog maar weinig literatuur, maar ik dacht er veel aan. Mijn ouders hadden het graf met mii bezocht toen ik zeven of acht was.


 


445.. Onbewust of bewust verwarden ze de toestand van de schrijver met die van de patiënt. Ik had nog nooit zo uitgebreid geexperimenteerd met het proustiaanse devies: schrijven was wel degelijk het product van een andere ik, een product dat nou net was bedoeld om me uit de toestand te halen waarin ik me bevond, ook al vertelde het over diezelfde toestand. Ik schreef in Libération over een schilderij van Velázquez zoals ik in Charlie over mijn chirurgisch traject schreef, om in het eerste binnen te stappen en aan het tweede te ontsnappen. Ik schreef ook om een ervaring te delen, maar de meeste reacties herinnerden me aan de wrede zin van Céline: 'Ervaring is een lantaarn die alleen degene die haar draagt verlicht?


En mijn ongerustheid maakte het er niet beter op. Zoals met die brief van de socialeverzekeringsdienst waarin me op dreigende toon werd gevraagd of ik na bijna drie maanden nog steeds met ziekteverlof was. In dat geval, schreef de ambtenaar erbij, moest ik dat zo spoedig mogelijk bewijzen en als ik in gebreke bleef, zou er een procedure worden opgestart.


Ik liet de brief bij mijn vrienden op de afdeling rondgaan.