Dupslog

jan.vanduppen(at)telenet.be

Jan Van Duppen

Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Jan Van Duppen
Artikel

Siri Hustvedt, GHOST STORIES, een boek van herinneringen.

Siri Hustvedt, GHOST STORIES, een boek van herinneringen.


Uitgeverij De Bezige Bij 2026


8 .In de dagen die volgden op Pauls begrafenis in besloten kring, op 3 mei in Green-Wood Cemetery, werd ik bevangen door een obsessieve drang om te gaan sorteren, weggooien en schoonmaken. Als ik van streek ben of me zorgen maak, ga ik vaak schoonmaken. Ik zie erop toe dat mijn eigen kleine wereld kraakhelder op orde komt. Ik oefen een zekere controle uit door me te ontdoen van vuil, vlekken en vegen. Ik wilde niet zo’n weduwe worden die de kleren van haar man nog maanden of zelfs jaren in de kast liet hangen.


17. Alle huizen waar mensen langere tijd wonen, worden het terrein van handelingen die worden herhaald, maaltijden die worden bereid en genuttigd, vuilnis die naar buiten en post die naar binnen wordt gebracht, koffiezetapparaten die worden aan- en uitgezet, ketels met kokend water dat wordt ingeschonken voor de thee, bedden die worden opgemaakt en was die wordt opgevouwen, douches en baden, tanden die worden gepoetst en gezichten die worden gewassen, en zo verder. Ze behoren tot de uiteenlopende manifestaties van ons spiergeheugen. 


167. Er zijn ook momenten dat ik vlak onder de tenuitvoerbrenging van die dagelijkse routine mijn eigen onderdrukte gekrijs hoor. C.S. Lewis schreef nooit te hebben beseft dat verdriet vrijwel hetzelfde voelde als angst. Meteen na deze vaak geciteerde zin schrijft hij: Ik ben niet bang... Volgens mij was hij dat wel. Als het verlies hevig is, geldt datzelfde voor de angst, een verlammende, ijzingwekkende angst voor een toekomst die neerkomt op een ik zonder jou.


197. Vanaf haar kleutertijd tot ze een jaar of elf was deed je moeder het goed op school en leek ze een onuitputtelijke hoeveelheid vriendjes en vriendinnetjes te hebben. Toen kwam daar ineens een eind aan en hoewel je grootmoeder en ik ervan uitgingen dat het in de volgende klas wel beter zou gaan, bleek dat niet het geval. Ze was toen twaalf of dertien en stond aan de rand van de puberteit, wat zelfs voor het sterkste, gezondste kind een buitengewoon kwetsbare periode is. Al je klasgenoten worstelen met onzekerheid en ineens blijkt de kleine sociale cocon waar je deel van uitmaakte in tweeën te zijn gesplitst: zij die erbij horen en zij die er niet bij horen. Zij die erbij horen domineren al degenen die daarvan zijn uitgesloten, wat vaak gepaard gaat met fysiek geweld aan de kant van de jongens en onthutsende psychologische wreedheden onder de meisjes. 


Om redenen die nooit duidelijk werden verwoord, maar ongetwijfeld ingegeven door jaloezie (omdat Sophie zo mooi was, misschien) en misschien ook uit schaamte, omdat je dappere moeder het hart op de tong had en telkens opkwam voor de jongens en meisjes die het onderspit dolven en zelfs gepest werden. De dwingelanden en bullebakken onder haar klasgenoten vonden dat maar niks, omdat ze zich schaamden als Sophie hun hun gemene streken onder de neus wreef, en dus werd je moeder zelf ook stukje bij beetje verstoten, totdat ze volkomen werd genegeerd door haar vroegere kameraadjes, die demonstratief weigerden met haar te praten op school en haar niet meer uitnodigden voor feestjes. Ze had maar twee vriendinnen in die jaren, die ook al beiden aan de kant waren gezet. F., de klungelige bonenstaak, en K., het uitgelaten dikkerdje. Ik mocht hen graag, niet alleen vanwege hun vriendelijke aard, maar ook omdat ze beiden leken te denken dat Sophie zo ongeveer de perfectie zelve was, een godin.


Dat was een pleister op de wond, maar je moeder had het heel zwaar in die jaren. Denk je eens in: je school als een vijandige vrieskist van het moment dat je daar ’s ochtends binnenkomt tot het moment dat je ’s middags weggaat, in het schrijnende besef dat het morgen niet anders zal gaan dan vandaag, net als elke daaropvolgende dag, tot de school je laat gaan voor de zomer. Aan het begin van het nieuwe schooljaar (nog steeds op dezelfde school) ontdekten je grootmoeder en ik tot hun schrik dat er niets was veranderd. We probeerden zo snel als we konden een andere school te vinden, maar dat duurde even en toen we eenmaal de school hadden gevonden die naar ons idee het best bij Sophie paste, was het te laat om haar nog datzelfde jaar te laten overplaatsen. Ik geloof dat je moeder eind november werd aangenomen op de Calhoun School, er was de daaropvolgende herfst plek voor haar, maar voorlopig had ze nog te stellen met die ellende op haar oude school en ze moest die dan ook tot het eind van het jaar zien uit te zingen.


207.  Emoties zijn altijd fluctuerend, maar de Paul en Siri van 2019 leefden een grotendeels vreedzaam, harmonieus en tevreden bestaan, en het was niet onredelijk om te veronderstellen dat het zo door zou gaan. De toekomst is immers een fictief gegeven dat je almaar verder voor je uit schuift.


Tegen de tijd dat je in de toekomst bent aangekomen is het geen toekomst meer.


292. Uit Kierkegaards novelle De herhaling:


‘Herhaling en herinnering zijn dezelfde beweging, alleen in tegengestelde richting. Want wat herinnerd wordt, is iets in het verleden, het wordt achteraf herhaald, terwijl de eigenlijke herhaling vooraf wordt herinnerd.’


‘Wanneer je niet beschikt over de categorie van de herinnering of van de herhaling, dan lost het hele leven zich op in een leeg, inhoudsloos geraas.’


301. In een opiniestuk van veertig jaar later voor The New York Times, gepubliceerd op 23 april 2008, omschreef Paul de gemoedsgesteldheid van de studenten op Columbia University als een vorm van gekte. ‘Het was het jaar der jaren, het jaar van gekte, het jaar van vuur, bloed en dood. Ik was net eenentwintig geworden, en ik was net zo gek als alle anderen.’ Veteranen uit die beweging bekritiseerden Paul om dat woord gekte, maar hij bedoelde niet dat ze er verkeerd aan hadden gedaan om zich te verzetten tegen wat hij toen en ook later als een onzinnige, immorele oorlog beschouwde. Het ging hem erom dat in een wereld die op zijn kop stond, een wereld waarin het ene na het andere bloedbad plaatsvond en hij meteen na zijn studie in het leger moest, hij ten prooi was gevallen aan een emotioneel virus. ‘Tot mijn grote verbazing bevond ik me onder hen,’ schreef hij. 


303. In LTI, de taal van het Derde Rijk schreef Victor Klemperer, een Joodse linguïst uit Dresden die de oorlog overleefde: ‘Het nazisme stroomde in het vlees en het bloed van de massa via de afzonderlijke woorden, de zinswendingen, de zinsvormen; het drong zich op door miljoenen herhalingen, die automatisch, onbewust werden overgenomen.’