Theodore Dalrymple. De filantroop '? testament van een seriemoordenaar. Uitg. Nieuw Amsterdam 1995-2007
Een hyperintelligente autodidact en seriemoordenaar presenteert zich in zijn testament als een filantroop die de maatschappij verlost heeft van ellendige klaplopers die hem als ambtenaar van een sociale huisvestingsmaatschappij het leven hebben zuurgemaakt en dus ook de maatschappij vervelen en handenvol geld kosten. Theodore Dalrymple doet dit op een briljante manier, waarbij geen enkele redenering krom klinkt, geen argument al niet ooit officieel aangevoerd werd door de beleidsmensen en hun denkers om asociaal gedrag van mensen aan de onderkant te verklaren en te vergoelijken. Deze Engelse psychiater en schrijver heeft praktijk gevoerd in de halve wereld van het Britse gemenebest en heeft decennia lang ervaring opgedaan met de bajesklandizie en zijn patiëntenbestand in de achterstandswijken van Birmingham. In zijn later werk zal hij meticuleus de vinger op de 'linkse wonde' van ongelijke kansen, sociaal zwakke opvoeding en dito levensomstandigheden weten te leggen waarachter zo velen geholpen worden zich te verschuilen. Deze nieuwe erfelijke adellijke klasse van lamlendige klaplopers wordt door zijn filantroop gefileerd. Dalrymple opent met dit pijnlijk schitterend kleinood zijn boekenreeks.
142 - 145. Ik denk dat ik afdoende heb aangetoond dat superieure technische kennis van en toegang tot medicijnen het verschijnsel van zelfdestructie onder artsen niet kunnen verklaren. Een mens heeft per slot van rekening maar weinig kennis van de fysiologie nodig om te begrijpen dat defenestratie van twintig hoog schadelijk is voor de gezondheid.
Ook kan niet worden gezegd dat artsen van nature labiele mensen zijn, dat de kiem van de zelfmoorddrang al vanaf jonge leeftijd in hen sluimert. In tegendeel: de veeleisende studie die hun op de medische faculteit wordt opgelegd is voor het grootste deel volstrekt overbodig, vanuit praktisch oogpunt bezien van ieder nut gespeend, en vormt eerder een rite de passage of zelfs een godsgericht dan de educatie in de eigenlijke zin des woords. Niemand kan ontkennen dat de studie veeleisend is, hoe nutteloos ook, en het vereist behoorlijk wat psychische stabiliteit om haar te voltooien '? naast brandende ambitie, snobisme en hebzucht uiteraard.
Nee, de impuls van de arts om zichzelf van kant te maken komt van elders '? die komt om kort te gaan van jullie, het publiek, dames en heren. De langdurige en onvermijdbare omgang met het menselijke ras, waar jullie onloochenbaar toe behoren, met zijn lichtzinnige maar tijdrovende eisen, zijn halsstarrige weigering om de verantwoordelijkheid voor zichzelf te nemen, zijn slechte manieren, zijn gebrek aan elementaire persoonlijke hygiëne, zijn onbesuisdheid, zijn onwetendheid en stomheid, zijn laagheid, zijn slechte smaak en banaliteit, drijft doktoren tot wanhoop en daarom plegen ze zelfmoord.('?)
De arts, hoezeer hij heimelijk ook hunkert naar macht, rijkdom, maatschappelijk aanzien en zo voort, moet zijn hele mentaliteit hullen in een mantel van welwillendheid en menslievendheid. Om te worden toegelaten tot de medische faculteit moet hij al een onnatuurlijke betrokkenheid bij het welzijn van anderen veinzen, en die huichelarij vergezelt hem gedurende zijn gehele professionele leven. Als je een rol maar lang genoeg speelt, begint die uiteindelijk zo'n belangrijk deel van je persoonlijkheid te vormen dat ze de rest samenbindt; en als je om de een of andere reden ophoudt die rol te spelen, stort je persoonlijkheid volledig ineen.
Nu moet de arts, om de illusie va universele weldadigheid in stand te houden waarop hij zijn leven ha gebaseerd, (tegenover anderen, maar vooral ook tegenover zichzelf) net doen of iedereen hem consulteert, hoe verwerpelijk, agressief, vuil en ongemanierd ook, enkel een lijdende ziel is die zijn sympathie verdient en recht heeft op zijn medeleven. Hij moet de uiterlijke schijn negeren en uit de onwenselijke eigenschappen van zijn patiënten niet hun wezenlijke slechtheid afleiden, hij moet die eigenschappen zien als de onontkoombare uitdrukking van iets anders, of dat nu ziekte is, een ongelukkig gezinsleven, een laag inkomen, onverwijtbare onwetendheid of een gebrek aan intelligentie als gevolg van slechte voeding tijdens de kinderjaren.
Op den duur levert het te veel spanning op om dit alles te moeten blijven geloven. Uiteindelijk verplettert de zichtbare werkelijkheid de theorieën die de arts gebruikt om haar te verhullen met haar volle gewicht en valt het starre maar wankele bouwsel waarmee hij zichzelf voor die werkelijkheid heeft afgeschermd in puin. Maar zelfs in dit late stadium kan de arts zijn rol van universele weldoener nog niet helemaal opgeven, want als hij dat deed zou hij de zin van zijn hele verleden in twijfel trekken '? de frustraties en beproevingen van dat verleden blijken niet te zijn doorstaan in dienst van en hoger doel, maar om een leugen na te jagen. Verscheurd tussen twee 'Weltanschauungen' neemt hij wraak, niet op de mensen die zijn misère hebben veroorzaakt, maar op zichzelf.


