Dupslog

jan.vanduppen(at)telenet.be

Jan Van Duppen

Er is nog zo veel dat ongezegd is. (Rutger Kopland)

Jan Van Duppen
Artikel

Vasili Grossman, Alles stroomt. 1955-1963

Vasili Grossman, Alles stroomt. 1955-1963 


Uitg Balans 2026


 


8. De derde reiziger, een Siberische bouwopzichter, die nu op het onderste bed lag te snurken, stootte hen af door zijn onbeschaafdheid: hij gebruikte schuttingtaal, boerde na het eten, en toen hij hoorde dat zijn coupégenoot bij de afdeling economische wetenschappen van het Staatsplanbureau werkte, had hij gevraagd: 'Politieke economie, waar gaat dat over, dat de kolchozboeren naar de stad moeten reizen om bij de arbeiders brood te kopen?'


Op een keer had hij stevig gedronken in de restauratie van een groot station waar hij heen was gegaan om, zoals hij zei, zich af te wateren, en hij had zijn reisgenoten lang uit de slaap gehouden met zijn gedaas: 'Langs legale weg krijg je in ons vak niks gedaan, als je je aan het plan wilt houden moet je werken zoals het leven dat eist: "Voor wat hoort wat." 


Onder de tsaar heette dat particulier initiatief, en wij noemen het: leven en laten leven; dat is pas economie! Mijn ijzervlechters hebben een heel kwartaal, totdat het nieuwe krediet kwam, als kinderverzorgsters geregistreerd gestaan. De wet gaat tegen het leven in, maar het leven stelt zijn eisen! Heb je het plan af, kan je toeslagen en premies krijgen, maar ze kunnen je ook met tien jaar opzadelen. De wet is tegen het leven, en het leven is tegen de wet?'


De jongemannen zwegen, maar toen de bouwvakker was stilgevallen, of liever luid was begonnen te snurken, uitten ze hun kritiek: ‘Zulke lui moet je ook in de gaten houden. Die zogenaamde openhartigheid…’


'Een opportunist. Geen principes. Net als de zonen van Abraham'


 


 


17. Toen de campagne tegen de aanhangers van Weismann, Virchow en Mendel begon, betreurde Nikolaj Andrejevitsj de harde maatregelen die tegen velen van zijn collega's werden genomen. Hij en Maria Pavlovna waren ernstig verontrust toen Radionov zijn fouten niet wenste toe te geven. Radionov werd ontslagen, en Nikolaj Andrejevitsj bezorgde hem, mopperend op zijn zinloze donquichoterie, vertalingen uit het Engels.


Pyzjov werd beschuldigd van serviliteit tegenover het Westen en tewerkgesteld op een proefstation in de provincie Tsjkalov. Nikolaj Andrejevitsj schreef hem en stuurde hem boeken, Maria Pavlovna maakte een nieuwjaarspakket voor zijn gezin.


In de kranten begonnen onthullende artikelen te verschijnen over carrièrejagers, oplichters die op oneerlijke wijze diploma's en titels hadden verkregen, artsen die zieke kinderen en kraamvrouwen misdadig wreed behandelden, bouwkundigen die in plaats van ziekenhuizen en scholen buitenhuisjes voor hun familie bouwden. Bijna al deze onthullingen golden Joden, en de kranten waren bijzonder zorgvuldig in het vermelden van hun voor-en vadersnamen: Samoeil Nachmanovitsj... Chaim Abramovitsj... Izrail Mendelevitsj... Als een boek dat een slechte recensie kreeg geschreven was door een Jood met een Russisch pseudoniem, dan werd daarnaast tussen haakjes de Joodse naam van de auteur afgedrukt. Het leek of het in de Sovjet-Unie uitsluitend de Joden waren die stalen, steekpenningen aannamen, misdadige onverschilligheid betoonden jegens de lijdende patiënt en verdorven flutboeken schreven.


 


20. En toch leek het onvoorstelbaar, het was moeilijk ademen en werken in de wetenschap dat professoren, academieleden, gifmengers waren geworden die Zjdanov en Sjtsjerbakov hadden vermoord.


Nikolaj Andrejevitsj dacht aan de lieve Vovsi en aan de voortreffelijke acteur Michoëls, en de misdaad waarvan zij beschuldigd werden leek hem onwaarschijnlijk, ondenkbaar.


Maar ze hadden bekend! Als ze onschuldig waren en toch schuld bekend hadden, moest worden aangenomen dat er een andere misdaad was begaan, nog vreselijker dan die waarvan zij beschuldigd werden - een misdaad tegen hen.


Alleen die gedachte al was angstaanjagend. Er was moed voor nodig om aan hun schuld te twijfelen, want dan waren de misdadigers de leiders van de socialistische staat, dan was de misdadiger Stalin.


Bevriende artsen vertelden dat het werken in ziekenhuizen en poliklinieken een ware kwelling was geworden. De officiële berichten hadden de patiënten wantrouwend gemaakt, velen weigerden door Joodse artsen behandeld te worden. De artsen vertelden dat de bevolking massaal klaagde en aangifte deed van opzettelijk onzorgvuldige behandeling. Apothekers werden door hun klanten verdacht van pogingen hun giftige geneesmiddelen aan te smeren; in de tram, op de markten en in openbare gebouwen werd verteld dat er in Moskou een paar apotheken gesloten waren waar Joodse apothekers - agenten van Amerika - pillen met gedroogde luizen verkochten; er werd verteld dat ze in de kraamklinieken de vrouwen en de baby's met syfilis besmetten en dat de tandarts je kon inspuiten met kaak- en tongkanker. Er werd verteld van luciferdoosjes met dodelijk giftige lucifers.


 


28. Zeventien jaar had hij niet aan die vergaderingen gedacht en nu opeens wel.


Het had toen vreemd en krankzinnig geleken dat een hoogleraar


mijnbouwkunde, wiens naam hij vergeten was, en de dichter Pasternak weigerden vóór de executie van Boecharin te stemmen. De schurken hadden immers zelf bekend. Ze waren immers in het openbaar ondervraagd door de universitair geschoolde Andrej Janoearjevitsj Vysjinski.


Er was immers geen twijfel aan dat zij schuldig waren, geen zweem van twijfel!


Pas nu herinnerde Nikolaj Andrejevitsj zich dat hij wel had getwij-feld. Maar hij had gedaan of het niet zo was. Want zelfs als hij in zijn hart had geweten dat Boecharin onschuldig was, zou hij toch voor de doodstraf hebben gestemd. Het stemde makkelijker als je niet twijfel-de, daarom had hij zichzelf wijsgemaakt dat hij niet twijfelde. Niet stemmen kon hij niet, hij geloofde immers in de verheven doelstellingen van de partij van Lenin en Stalin. Hij geloofde immers dat er voor het eerst in de geschiedenis een socialistische samenleving zonder particulier eigendom was opgebouwd, en dat de dictatuur van de staat onontbeerlijk was voor het socialisme. Twijfelen aan de schuld van Boecharin, weigeren te stemmen - dat betekende twijfelen aan de machtige staat met zijn hoge doelstellingen.


Toch had hij zelfs aan dat heilige geloof ergens diep in zijn ziel getwijfeld.


Was dat nu socialisme - Kolyma, het kannibalisme tijdens de collectivisatie, ' de dood van miljoenen mensen? Soms slopen heel andere dingen de geheime diepten van zijn bewustzijn binnen - de terreur was wel heel onmenselijk, het lijden van de arbeiders en boeren wel heel groot.


Ja ja, in verering en grote gehoorzaamheid was zijn leven verlopen, in angst voor honger, marteling, Siberië. En dan was er nog de bijzonder laaghartige angst geweest om kuit te moeten eten in plaats van kaviaar. Deze laaghartige kaviaarangst had zijn jongensdromen uit de tijd van het oorlogscommunisme beheerst: vooral niet twijfelen, vooral maar vlug stemmen of tekenen. Ja ja, zijn ideologische kracht was gevoed door angst voor zijn hachje en angst om zonder kaviaar te zitten.


En plotseling beefde de staat en mompelde dat de artsen gemarteld waren. En morgen zou de staat bekennen dat Boecharin, Zinovjev, Kamenev, Rykov en Pjatakov waren gemarteld en dat Maxim Gorki niet door vijanden van het volk was vermoord. En overmorgen zou de staat bekennen dat miljoenen boeren voor niets waren omgebracht . 


 


52. Dan is er Judas de Tweede. Die heeft geen dag gevangen gezeten. Hij ging door voor intelligent en welsprekend, en nu wordt ineens door mensen die halfdood uit de kampen terugkeren verteld dat hij een 'geheime medewerker' was. Hij heeft veel mensen te gronde helpen richten. Jarenlang voerde hij vertrouwelijke gesprekken met vrienden, waarvan hij aantekeningen maakte die hij aan zijn chefs gaf. Hem hoefden ze niet te martelen om iets uit hem te krijgen, hij gebruikte uit zichzelf zijn vindingrijkheid om zijn gesprekspartners ongemerkt op gevaarlijke onderwerpen te brengen. Twee van hen zijn niet uit het kamp teruggekomen, een is ter dood veroordeeld door de krijgsraad.


Zij die wel terugkwamen hadden een waslijst van ziekten, die stuk voor stuk goed waren voor een verklaring van ernstige invaliditeit.


Terwijl hij zelf een buikje heeft gekweekt en befaamd is als gastronoom en kenner van Georgische wijnen. Zijn werk heeft iets met de schone kunsten van doen, en hij verzamelt onder andere unieke oude poëzie-uitgaven.


Maar wij zullen ons niet haasten, we zullen nadenken alvorens een vonnis te vellen.


Al in zijn kindertijd was hem de doodschrik op het lijf gejaagd - zijn rijke vader stierf in 1919 in een concentratiekamp aan vlektyfus, zijn tante emigreerde met haar man, die generaal was, naar Parijs, zijn oudste broer vocht aan de kant van de Witten. Van jongs af aan leefde hij in angst. Zijn moeder sidderde voor de politie, de huismeester, de etagebeheerder, de ambtenaren van de stadsraad. Elke dag, elk uur voelden hij en zijn familieleden dat zij tot de verkeerde klasse behoorden.


Op school beefde hij voor de Komsomol-secretaris;  de knappe pioniersleidster Galja leek een afkeer van hem te hebben als van een smerige worm. Hij was doodsbang dat ze zijn verliefde blikken zou opmerken.


Zo wordt het een en ander begrijpelijk. Hij raakte betoverd door de kracht van de nieuwe wereld, als een jong vogeltje staarde hij met zijn ronde kijkers in de stralende ogen van de wereldomvattende vernieuwing. Hij wilde er zo graag deel aan hebben, waardig bevonden worden. En de vernieuwing maakte hem deelgenoot.


 


66. En waar zouden ze ook heen moeten - sommigen bewaarden in de verkalkte diepten van hun hart herinneringen aan de kroonluchters van Tsarskoje Selo, aan de winterzon in Nice; anderen herinnerden zich Mendelejev die bij hen thuis op de thee kwam, en de jonge Blok, of ze hadden het over Skrjabin en Repin; weer anderen bewaarden in de nog warme as van hun geheugen het beeld van Plechanov, Gersjoeni, Trigoni - de vrienden van de grote Zjeljabov. Het kwam voor dat vrijgelaten oude mensen verzochten om terug te mogen keren naar het kamp; hun bevende, zwakke benen waren niet bestand tegen de wervelstorm van het leven, de grote steden waren beangstigend leeg en koud.


Ivan Grigorjevitsj zou wel weer terug willen gaan naar de mensen achter het prikkeldraad, die gewend waren aan hun warme vodden, hun bordje waterige soep, de kachel van de barak. Hij zou hun willen zeggen: 'Inderdaad, de vrijheid is angstaanjagend!'


En hij zou de oude, krachteloze mannen vertellen hoe hij zijn familie had opgezocht, hoe hij naar het huis van zijn geliefde was gegaan, hoe hij een studiegenoot had getroffen die hem wilde helpen. En hij zou tegen de oude kampbewoners zeggen dat er geen hoger geluk bestond dan blind en zonder benen op je buik het kamp uit te kruipen en in vrijheid te sterven, al was het maar tien meter buiten dat vervloekte prikkeldraad.


 


76. De mensen die, bedrukt en terneergeslagen door geweld, ondervoeding en gebrek aan warmte en tabak, in de kampen in "jakhalzen' waren veranderd en met schichtige blikken naar broodkorsten en afgesabbelde peuken liepen te zoeken, hadden zijn medelijden gewekt.


De mensen in de kampen hielpen hem de mensen buiten de kampen te begrijpen. Ook buiten de kampen zag hij de zielige zwakheid, de wreedheid, de gulzigheid en de angst die hij van de barakken kende. De mensen waren overal eender. Hij had medelijden met hen.


Maar de sovjetmensen in de romans en gedichten belichaamden, net als in de kunst van de middeleeuwen, de ideeën van een kerk, van een religie: zij verkondigden de enig ware god, de mens bestond niet op zichzelf, maar omwille van die god, hij bestond om die god en zijn kerk te loven. Sommige schrijvers gaven, om hun leugens als waarheid te vermommen, met bijzondere zorgvuldigheid details van kleding en meubilair weer, zodat zij hun verzonnen godzoekende helden in een levende omgeving konden plaatsen.


Noch in, noch buiten de kampen wilden de mensen erkennen dat iedereen evenveel recht had op vrijheid. Sommige rechtse deviationisten achtten zichzelf onschuldig, maar keurden repressies tegen linkse deviationisten goed. Zowel linkse als rechtse deviationisten hadden een hekel aan 'spionnen' - mensen die correspondeerden met buitenlandse familieleden, mensen wier gerussificeerde ouders Poolse, Letse of Duitse namen hadden.


Een boer kon nog zo hard beweren dat hij zijn hele leven met zijn handen had gewerkt, de politieke gevangenen geloofden hem niet: 'Als je gedekoelakiseerd bent, zal er heus wel een reden voor zijn geweest.


Ivan Grigorjevitsj zei eens tegen een barakgenoot, een gewezen rodegarde- commandant: 'U was toch uw leven lang het bolsjewisme. toegedaan, u bent held van de Burgeroorlog, en nu zit u op beschuldiging van spionage'.


De ander antwoordde: 'Dat was een vergissing, ik ben een geval apart, u kunt mij niet met anderen vergelijken.’


 


77. De een meende dat er alleen in zijn geval een vergissing begaan was, en dat verder 'niemand zonder reden werd vastgezet'.


Anderen redeneerden: toen we nog vrij waren dachten we dat niemand zonder reden werd vastgezet, maar nu hebben we aan den lijve ondervonden dat dat wel gebeurt. Zij trokken daaruit geen enkele conclusie en zuchtten deemoedig.


Een magere medewerker van de Jeugd-Komintern met een nerveuze tic, een verstokt dialecticus, legde Ivan Grigorjevitsj uit dat hij geen misdaden tegen de partij had gepleegd, maar dat de organen gelijk hadden dat zij hem hadden gearresteerd als spion en huichelaar - hij had weliswaar niets misdaan, maar hij behoorde tot een bevolkingslaag die de partij vijandig was, een laag die huichelaars, trotskisten, opportunisten, zeurpieten en kleingelovigen voortbracht.


Een intelligente voormalige partijfunctionaris sprak zich eens uit tegen Ivan Grigorjevitsj. Waar gehakt wordt, vallen spaanders, en de waarheid van de partij blijft de waarheid, die staat hoger dan mijn ellende, zei hij, wees op zichzelf en vervolgde: 'Ziehier een van die spaanders.’


Hij raakte van de wijs toen Ivan Grigorjevitsj tegen hem zei: 'Dat is nu juist de ellende, dat er gehakt wordt. Waarom moet er gehakt worden?' Ivan Grigorjevitsj had in de kampen maar zeer zelden mensen ontmoet die werkelijk tegen het sovjetregime streden.


Gewezen officieren van de tsaar kwamen niet in de kampen terecht omdat zij plannen smeedden voor een monarchistische organisatie. Ze zaten omdat ze die zouden kúnnen smeden.


In de kampen zaten sociaaldemocraten en socialisten-revolutionairen. Velen van hen waren gearresteerd in de tijd dat ze nog loyaal en kleinburgerlijk-inactief waren. Zij waren niet opgesloten omdat zij tegen de sovjetstaat hadden gestreden, maar omdat de kans bestond dat ze dat zouden gaan doen.


Boeren werden niet naar de kampen afgevoerd omdat zij tegen de kolchozen streden. Afgevoerd werden diegenen die zich onder bepaalde omstandigheden misschien tegen de kolchozen zouden gaan verzetten.


In de kampen kwamen mensen terecht die onschuldige kritiek hadden geuit - de een op boeken en toneelstukken die met staatsprijzen waren onderscheiden, de ander op vaderlandse radiotoestellen en bal-pennen. Onder bepaalde omstandigheden konden zulke mensen vijanden van de staat worden.(…)


De terreur was niet gericht tegen misdadigers, maar tegen allen die volgens de staatsveiligheidsorganen kans maakten het te worden.


 


78. Merkwaardig genoeg vonden de mensen die om een reden waren veroordeeld, die werkelijk strijd hadden gevoerd tegen de sovjetstaat, dat alle politieke gevangenen onschuldig waren en zonder uitzondering de vrijheid verdienden. Terwijl degenen die op valse gronden zaten, wegens verzonnen misdaden, en dat waren er miljoenen, geneigd waren alleen zichzelf te amnestiëren en probeerden te bewijzen dat de andere nepspionnen, -koelakken en -saboteurs werkelijk schuldig waren; zij trachtten de wreedheid van de staat goed te praten.


Tussen de gevangenen en degenen die vrij waren bestond één diepgaand verschil in geesteshouding. Ivan Grigorjevitsj had gezien dat de mensen in de kampen trouw bleven aan de tijd die hen had gevormd.


In hun verschillende persoonlijkheden leefden verschillende tijdperken uit de Russische geschiedenis voort. Er waren mannen die in de Burgeroorlog hadden gevochten, met hun eigen favoriete liederen, helden en boeken; er waren Groenen en aanhangers van Petljoera, met de nog ongebluste hartstochten van hun tijd, met hun liederen, versjes en hebbelijkheden; er waren Komintern-werkers uit de jaren twintig, met hun eigen pathos, woordenschat, filosofie, manier van doen en spreken; er waren ook heel oude mensen - monarchisten, mensjewieken, socialisten-revolutionairen, die het hielden bij de ideeën, het gedrag en de literaire helden van veertig en vijftig jaar geleden.


In de ene haveloze, hoestende grijsaard was direct de wankelmoedige, verlopen en tegelijk edele gardecavalerist te herkennen, in de andere, op de brits naast hem, al even haveloos en met grijze stoppels begroeid, de onverdroten sociaaldemocraat, en in de gebogen man met het luizenbaantje van ziekenbroeder viel de commissaris van een pantsertrein te ontwaren.


Buiten de kampen daarentegen droegen de oude mensen geen specifieke kenmerken van oude tijden met zich mee; in hen was het verleden uitgewist, zij namen gemakkelijk de gedaante van het heden aan - zij dachten en voelden in overeenstemming met de dag van vandaag; hun woordenschat, hun gedachten, hun hartstochten en hun oprechtheid voegden zich nederig en soepel naar de loop der gebeurtenissen en de wil van de overheid.


Hoe was dit verschil te verklaren - zou het kamp een verdovende werking hebben, als een narcose?


 


95. Over een van hen, Olga Nikolajevna, een klein, grijs oudje, wordt verteld dat zij voor de revolutie anarchiste was, een bom heeft gegooid naar de koets van de gouverneur van Warschau en geschoten heeft op een gendarmegeneraal. Nu zit zij op een kampbrits een boek te lezen en drinkt heet water uit een kroes. Op een nacht, toen Masja terugkwam van Semisotov, kwam dit oudje naar haar toe, streelde haar over het hoofd en zei: 'Arm meisje van me.' Ach, wat heeft Masja toen gehuild.


Niet ver van Masja ligt Suzanna Karlovna Roedolf op haar brits. Zij doet aan gymnastiek en ademt door haar neus. Haar man, geamerikaniseerd Duitser en christen-socialist, was met zijn gezin naar sovjet-Rusland gekomen en sovjet-staatsburger geworden. Professor Roedolf werd veroordeeld tot tien jaar zonder recht op correspondentie en vervolgens in de Loebjanka doodgeschoten; Suzanna Karlovna en haar drie dochters - Agnessa, Louisa en Lena - belandden in kampen met streng regime. Suzanna Karlovna weet niets over haar dochters, de jongste, Lena, is nu ook niet meer bij haar, zij is overgebracht naar het invalidenkamp. Suzanna wil de oude Olga Nikolajevna niet groeten, want die heeft Stalin een fascist genoemd en Lenin de moordenaar van de Russische vrijheid. Suzanna Karlovna zegt dat zij met haar werk de nieuwe wereld helpt bouwen en dat dat haar de kracht geeft om het verlies van man en dochters te dragen. Suzanna Karlovna heeft eens verteld dat zij, toen ze in Londen woonden, bevriend waren met Herbert Wells en in Washington met Roosevelt omgingen - de president mocht graag met haar man praten. Zij aanvaardt alles en begrijpt alles, slechts één ding is haar niet helemaal duidelijk: zij heeft gezien dat de man die professor Roedolf arresteerde een unieke gouden munt in zijn zak stak, een munt ter grootte van een kinderhand, met een waarde van honderd dollar. Op de munt stond het profiel van een indiaan met veren afgebeeld - de man die de huiszoeking deed nam hem mee voor zijn zoontje, zonder erbij stil te staan dat hij van goud was.


Al deze vrouwen - de reine en de gevallen vrouwen, de uitgeputten en zij die negen levens hadden - leefden in de wereld van de hoop. De hoop kon slapen of wakker zijn, maar verliet hen nooit.


Ook Masja had hoop - die deed pijn, maar door de hoop kon zij ademen, ook al deed het pijn.


 


100. Toen de vaders eenmaal zaten, gingen ze begin dertig de gezinnen oppakken. Dat kon de GPOE niet meer alleen doen, de activisten werden gemobiliseerd, allemaal eigen mensen, maar die deden zo raar, alsof ze behekst waren, ze dreigden met pistolen en scholden kinderen uit voor koelakkentuig, "bloedzuigers!" schreeuwden ze, maar die bloedzuigers hadden zelf van angst geen druppeltje bloed meer over, ze waren zo wit als een doek. En de activisten hadden van die glazen kattenogen. Terwijl de meeste toch eigen mensen waren. Ja, behekst waren ze - ze maakten zichzelf bijvoorbeeld wijs dat ze niets konden aanraken: een handdoek van een koelak vonden ze smerig, en je ging niet bij die parasieten aan tafel zitten, een koelakkenkind was walgelijk, viezer dan een luis. De koelakken werden als vee beschouwd, als varkens, alles aan hen was afstotend, ook hun persoonlijkheid, en ze hadden geen ziel, en ze stonken, en ze hadden allemaal geslachtsziekten, en het ergste was dat ze vijanden van het volk waren en anderen uitbuitten. Nee, dan de arme mensen en de Komsomol en de politie, dat waren allemaal Tsjapajevs, louter helden. Maar als je dan die activisten zag, doodgewone mensen hoor, je had er snotneuzen bij en ook behoorlijk wat schurken.


Ik werd er ook door beïnvloed, ik was nog maar een jonge meid, en je hoorde het op vergaderingen, en op de speciale instructiebijeenkomsten, en op de radio en in de bioscoop, en van de schrijvers, en van Stalin zelf, aldoor hetzelfde: de koelakken zijn parasieten, ze verbranden het graan en vermoorden kinderen. Het werd zonder omwegen gezegd: we moeten de woede van de massa's aanwakkeren tegen die vervloekte koelakken en hun hele klasse vernietigen. Ik raakte ook behekst, ik dacht ook: alles is de schuld van de koelakken, en als zij vernietigd zijn komen er voor de boeren betere tijden. Je moest geen medelijden met ze hebben, het waren geen mensen, maar god weet wat voor creaturen. Ik ging ook bij de activisten. Je had daar alle mogelijke mensen, er waren er die het allemaal geloofden en de parasieten haatten, en die voor de arme boeren waren, en lui die hun eigen zaakjes behartigden, maar de meesten voerden gewoon de bevelen uit - die zouden hun vader en moeder vermoorden als dat in de instructies stond. Het waren niet de ergsten die geloofden in een beter leven als de koelakken vernietigd waren. En de wilde beesten waren ook niet het ergste. De ergsten waren de mensen die hun eigen zaakjes behartigden, die de mond vol hadden van politiek bewustzijn maar ondertussen plunderden en persoonlijke rekeningen vereffenden.


(…)


… weet je dan niet meer wat je laatst gezegd hebt? Ik wel, ik zal het nooit vergeten. Het was zo helder als glas. Ik vroeg hoe de Duitsers Joodse kinderen konden vergassen en gewoon verder leven, werden ze dan door niemand gestraft, door de mensen niet en door God niet? En jij zei: er is een straf voor de beul: hij beschouwt zijn slachtoffer niet als een mens en daardoor houdt hij zelf op mens te zijn, hij doet de mens in zichzelf, hij is zijn eigen beul; terwijl die doden, al is hij nog zo dood, voor altijd een mens blijft. Weet je nog?


 


 


104. Hoe het daar was? Na de dekoelakisering was het land erg achteruitgegaan, het bracht nog maar heel weinig op. Maar ze rapporteerden dat het leven zonder de koelakken meteen een stuk beter was geworden. De dorpsraad loog tegen het district, het district tegen de provincie, de provincie tegen Moskou. Ze zeiden dat we een gelukkig leven hadden om Stalin blij te maken - zijn hele rijk zou zwemmen in het graan van de kolchozen. Toen de eerste oogst op de kolchozen rijp was, gaf Moskou de inkoopcijfers door. Precies zoals het hoorde - van het centrum naar de provincies, van de provincies naar de districten.


Wat wij moesten leveren, dat konden we nog in geen tien jaar bij elkaar krijgen! In de dorpsraad zetten ook degenen die niet dronken het van angst op een zuipen. Kennelijk verwachtte Moskou het meeste van de Oekraïne. Daarom waren ze ook het kwaadst op de Oekraïne. De bekende redenering: als je niet levert, ben je zelf een onuitgeroeide koelak.


Natuurlijk konden we niet genoeg leveren - het land was verwaarloosd, de opbrengst was laag, waar moesten de kolchozen die zee van graan vandaan halen? Zeiden ze: jullie verstoppen het, luilakken, onuitgeroeide koelakken! De koelakken zijn weggehaald, maar de koelakken-geest is gebleven. Voor jullie Oekraïners is particulier bezit het hoogste.


Wie heeft er getekend voor de massamoord? Ik denk vaak: toch niet Stalin? Volgens mij had nog nooit iemand zo'n bevel ondertekend, zo lang als Rusland bestaat. De tsaar niet, de Tataren niet, zelfs de Duitse bezetters niet. Het bevel was de boeren in de Oekraïne, aan de Don en aan de Koeban dood te hongeren, met kleine kinderen en al.


En de hele voorraad zaaigoed weg te halen. Ze zochten naar zaaikoren alsof het geen graankorrels waren maar bommen of mitrailleurs. Ze prikten in de grond met stokken en bajonetten, groeven in alle kelders, braken alle vloeren open, zochten in de moestuinen. Bij sommige mensen namen ze het graan in beslag dat ze in huis hadden, in potten en troggen. Van één vrouw pakten ze het brood af dat ze gebakken had, laadden het op een kar en namen het ook mee naar de hoofdstad van het district.


Dag en nacht knarsten er karren langs, boven het hele land hing stof, maar er waren geen silo's, ze stortten het op de grond, er liepen bewakers omheen. Tegen de winter regende het graan nat en begon te broeien - de sovjetmacht had niet genoeg zeildoek om het graan van de boeren mee te bedekken.


 


105. Toen ze het zaaigoed uit de dorpen weghaalden woei er zoveel stof op, alles leek in rook gehuld, de dorpen, de velden en ‘s nachts de maan. Een man werd gek, hij schreeuwde: brand, de hemel brandt, de aarde brandt! Maar het was de hemel niet, het was het leven dat verbrandde.


Toen begreep ik dat de sovjetmacht maar één doel heeft: het plan.


Het plan dient uitgevoerd! Leveren zul je! De staat is nummer één. De mensen zijn van nul en gener waarde.


Vaders en moeders wilden hun kinderen redden, een beetje graan verstoppen, maar zij kregen te horen: jullie koesteren een bittere haat tegen het socialisme, jullie willen het plan ondermijnen, klaplopers, koelakkenknechten, adders. Nee, ze wilden hun kinderen redden, hun eigen leven redden. Een mens moet toch eten.


Ik kan je alles vertellen, maar dat zijn maar woorden, en dit was het leven, lijden, de hongerdood. Trouwens, toen het graan werd weggehaald, zeiden ze tegen de activisten dat er voedsel verstrekt zou worden uit de voorraden. Dat was niet waar. De hongerige mensen kregen nog geen korreltje graan.


Wie het weghaalde, het graan? Voornamelijk eigen mensen, van de partijcomités, van de Komsomol, hun eigen jongens, en natuurlijk de politie en de NKVD, en hier en daar zelfs het leger, ik heb een gemobiliseerde soldaat uit Moskou gezien, maar die deed niet erg zijn best, hij probeerde aldoor om weg te komen. En net als bij de dekoelakisering gingen de mensen raar doen en werden ze als beesten.


(…)


En een stof – dag en nacht stof, zolang ze graan reden. De maan was een steen zo groot als de halve hemel, alles leek vreemd in dat maanlicht, en ‘s nachts was het zo heet als onder een schapenvacht, en de akkers waren zo vertrapt, zo doodgemaakt, vreselijk.


De mensen kregen iets verward’s over zich en de dieren gingen vreemd doen, ze werden schrikachtig, ze moeiden en jammerden, en ‘s nachts huilden de honden. En de grond barstte. 


 


109. Toen de sneeuw was weggedooid begonnen de mensen op te zwellen, ze hadden hongeroedeem - bolle gezichten, benen als kussens, water in hun buik, ze moesten aldoor plassen, ze haalden het erf niet op tijd. En de kinderen! Heb je die foto's in de krant gezien, van de kinderen in de Duitse kampen? Precies eender: hoofden als kanonskogels, dunne vogelnekjes, armen en benen waarvan je alle botten en gewrichten kon zien, skeletjes bespannen met een huid als geel verbandgaas.


Oude, afgeleefde gezichten, alsof de baby's al zeventig jaar op de wereld waren; tegen de lente waren het niet eens gezichten meer, maar vogelkopjes, of kikkerbekjes, zo breed met van die dunne lippen, of ze zagen eruit als visjes met open mond. Niets menselijks meer aan. En hun ogen, here Jezus! Mijn God, kameraad Stalin, heb je die ogen gezien? Misschien wist hij het werkelijk niet, hij schreef immers dat artikel over duizeligheid.


Wat ze allemaal niet aten - muizen, ratten, adders, mussen, mieren, regenwormen, ze maakten meel uit beenderen, ze sneden leren zolen en oude stinkende huiden in reepjes, ze kookten lijm. Toen er weer planten groeiden groeven ze wortels uit, kookten bladeren en knoppen - alles vond aftrek: paardenbloemen, klissen, blauwe klokjes, wilgenroosjes, pastinaak, bereklauw, brandnetels, muurpeper. Ze droogden lindebladeren en stampten die tot meel, maar er waren maar weinig linden. De koeken die ze ervan bakten waren groen en slechter dan de koeken van eikelmeel.


En er kwam geen hulp! Ze vroegen er ook niet meer om. Ik word nog steeds gek als ik eraan denk - had Stalin zich werkelijk van de mensen afgekeerd? Dat hij zo'n vreselijke moord toeliet. Stalin had immers brood. Dat betekende dat ze de mensen met opzet dood lieten hongeren. Ze wilden de kinderen niet helpen. 


Was Stalin dan erger dan Herodes? Heeft hij werkelijk de mensen hun brood en hun graan afgepakt en ze laten doodhongeren? Nee, dat kan niet, denk ik dan. En direct daarop denk ik: maar het was zo! En dan meteen weer: nee, zo kan het niet geweest zijn.


Toen ze nog niet zo zwak waren, liepen de mensen over de akkers naar de spoorbaan, niet naar het station, dat werd bewaakt, maar naar de rails. Als de sneltrein Kiev-Odessa voorbijkwam, vielen ze op hun knieën en riepen: brood, brood! Sommigen tilden hun vreselijk uitziende kinderen op. Dan gooide er weleens iemand een stuk brood of wat etensresten naar buiten.


 


112. Ik zag een meisje over de stoep kruipen, een straatveger gaf haar een schop, zij rolde de rijweg op. Ze keek niet op of om, ze kroop snel door, met alle kracht die ze nog had. En ze schudde haar jurk nog uit, die was vuil geworden, zie je. Ik had die dag een Moskouse krant gekocht, daar stond een artikel in van Maksim Gorki, dat kinderen goed speelgoed nodig hebben. Wist Gorki dan niet dat er kinderen naar de vuilnisbelt werden gereden - wat moesten die met speelgoed?


Of wist hij het wel? En zweeg hij, net als iedereen? En schreef hij zoals die anderen hadden geschreven, over die dode kinderen die kippensoep aten. Die vrachtrijder zei ook nog dat de meeste doden bij de broodwinkels lagen - als zo'n hongerbuik wat binnenkrijgt is het afgelopen. Het is me wel bijgebleven, dat Kiev, al ben ik er maar drie dagen geweest.


Weet je wat ik begrepen heb? Eerst jaagt de honger de mensen hun huis uit. De eerste tijd brandt de honger als vuur, verscheurt je darmen en je ziel, dus gaan ze de deur uit. Naar wormen graven, planten zoeken, je ziet het, ze wisten zelfs Kiev te bereiken. Alles is beter dan thuis blijven. Maar er komt een dag dat de hongerlijder terugkruipt naar zijn hol. De honger heeft hem overwonnen, hij is niet meer te redden, hij gaat op bed liggen en blijft liggen. Als een mens eenmaal door de honger overwonnen is, staat hij niet meer op, en niet alleen omdat hij de kracht mist - het interesseert hem niet, hij wil niet meer leven. Laat hem liggen, laat hem met rust. Hij is uitgehongerd maar wil niet eten, hij plast voortdurend en heeft diarree, hij wordt slaperig, laat hem liggen, hij wil alleen nog maar rust. Als een hongerlijder blijft liggen, is het afgelopen. Krijgsgevangenen zeggen het ook: als een gevangen soldaat op zijn brits gaat liggen en zijn rantsoen niet aanraakt, betekent dat dat het einde nabij is. Maar er waren er ook die krankzinnig werden.


Die hadden tot het einde toe geen rust. Je kon het zien aan hun schitterende ogen. Die slachtten de doden en kookten ze, ze doodden zelfs hun eigen kinderen en aten die op. In hen was het beest opgestaan toen de mens in hen stierf. Ik heb zo'n vrouw gezien, die werd door de politie naar de hoofdstad gebracht, ze had het gezicht van een mens en de ogen van een wolf. Ze zeiden dat die menseneters allemaal werden doodgeschoten. Maar het was niet de schuld van die moeders dat ze hun eigen kinderen opaten, het was de schuld van degenen die hen zover gekregen hadden. En die waren niet te vinden, hoe je ook door-vroeg. Het was voor de goede zaak, voor alle mensen, dat ze die moeders dat hadden aangedaan.


 


116. Vasili Timofejevitsj stierf het eerst, twee dagen voor de kleine Grisja.


Hij had bijna al zijn kruimeltjes eten aan vrouw en kind gegeven; daarom ging hij eerder dood. Er bestaat waarschijnlijk op de wereld geen grotere zelfopoffering dan de zijne, en geen grotere wanhoop dan hij heeft ervaren bij het zien van zijn door oedeem ontsierde vrouw en zijn stervende zoon.


Tot zijn laatste uur heeft hij noch verwijt, noch woede gevoeld jegens de grote en zinloze onderneming die de staat en Stalin volvoerden. Hij heeft zelfs niet gevraagd: 'Waarom?' - waarom hij en zijn vrouw, twee zachtmoedige, gedweeë, hardwerkende mensen, en hun stille eenjarige jongetje de marteling van de hongerdood moesten ondergaan.


De skeletten in hun vergane vodden overwinterden samen - de man, zijn jonge vrouw en hun kleine zoon, met witte glimlachjes, ook na hun dood onafscheidelijk.


Later, in de lente, toen de spreeuwen terug waren, kwam, met een zakdoek voor neus en mond, een gevolmachtigde van de sectie landbouw het huisje binnen; hij bekeek het kerosinelampje zonder glas, de icoon, de commode, de koude kookpotten en het bed en zei: 'Hier zijn er twee en een kleintje.


De voorman die op de drempel van dit heiligdom van liefde en


zachtmoedigheid stond knikte en maakte een aantekening op een stukje papier.


Terug in de buitenlucht keek de gevolmachtigde naar de witte huisjes en de groene tuintjes en zei: 'Als jullie de lijken hebben weggehaald, hoef je die krotten niet meer op te knappen, dat heeft geen zin?


De voorman knikte weer.


 


127. Marx, de grote marxist Lenin en diens grote opvolger Stalin postuleerden als waarheid nummer één van de revolutionaire leer het primaat van de economie boven de politiek.


En geen van de bouwers van de nieuwe wereld stond erbij stil dat zij met het bouwen van die gigantische zware fabrieken, die nutteloos waren voor de mensen en vaak ook voor de staat, deze stelling van Marx op zijn kop zetten.


Niet de economie, maar de politiek lag ten grondslag aan de door Lenin gestichte en door Stalin opgebouwde staat.


De politiek bepaalde de inhoud van Stalins vijfjarenplannen, de opzet van de grote werken. De politiek triomfeerde volledig over de economie in al het doen en laten van Stalin en zijn Raad van Volkscommissarissen, zijn Staatsplanbureau, zijn inkoopcomité, zijn volkscommissariaten voor zware industrie, landbouw en handel.


De bouwers meenden niet, zoals in de tijd van de Burgeroorlog, dat de Wereldrevolutie, de Wereldcommune verwezenlijkt werd. Wel geloofden zij dat het socialisme-in-één-land, in het nieuwe, jonge Rusland, voor de hele wereld de socialistische dageraad inluidde.


Maar toen werd het 1937, en de gevangenissen liepen vol met honderdduizenden mensen uit de generatie van de revolutie en de Burgeroorlog. Zij hadden pal gestaan voor de sovjetstaat, zij waren de vaders ervan en tegelijk de kinderen. Maar voor hen openden zich de gevangenissen die zij hadden gebouwd voor de vijanden van het nieuwe Rus-land, de verschrikkelijke macht van het door hen gecreëerde bestel trof henzelf, de straffende hand van de dictatuur - het zwaard van de revolutie, dat zij zelf hadden gesmeed - kwam op hun hoofden terecht.


Velen van hen dachten dat er een periode van chaos, van waanzin was aangebroken.


Waarom werden zij onder druk gezet misdaden te bekennen die zij niet hadden begaan, tot vijanden van het volk uitgeroepen, geïsoleerd van het leven dat zij zelf hadden opgebouwd en op het slagveld verdedigd?


Het scheen hun waanzin toe, dat zij gelijkgesteld werden aan mensen die zij haatten en verachtten, die zij zelf met wreed fanatisme hadden afgemaakt als dolle honden.


 


131. Zijn werk in dienst van het goede en de revolutie was gemarkeerd door bloed en ongevoeligheid voor lijden.


Uit trouw aan zijn revolutionaire principes liet hij zijn vader gevangen zetten en getuigde hij tegen hem voor het college van de gouvernementele Tsjeka. Hardvochtig fronsend wendde hij zich af toen zijn zuster hem om bescherming vroeg voor haar man, een saboteur.


Bij al zijn zachtmoedigheid was hij meedogenloos tegenover


andersdenkenden. De revolutie was voor hem een hulpeloos, onschuldig kind dat omringd was door onbetrouwbare, wrede bandieten en smerige verkrachters.


En hij had geen genade voor de vijanden van de revolutie.


Hij had maar één smet op zijn revolutionair geweten: zonder dat de partij het wist, hielp hij zijn oude moeder, de weduwe van zijn door de staatsveiligheidsorganen geëxecuteerde vader, en toen zij stierf, stelde hij geld beschikbaar voor een religieuze begrafenis - dat was haar laatste armzalige wens geweest.


Zijn woordenschat, zijn denken en zijn daden vonden hun oorsprong in boeken die in naam van de revolutie geschreven waren, in de moraal en de wetten van de revolutie, in haar poëzie, haar strategie, de tred van haar soldaten, haar inzichten en haar liederen.


Met háár ogen keek hij naar de sterrenhemel en het ontluikend berkenloof, uit haar zoete beker dronk hij de verrukkingen van de eerste liefde, geleid door haar wijsheid nam hij kennis van de strijd tussen patriciërs en slaven, heren en lijfeigenen, fabrikanten en proletariërs.


Zij was zijn moeder, zijn teergeliefde, zijn zon, zijn lotsbestemming.


En nu had de revolutie hem in een cel van de Binnengevangenis gezet en hem acht tanden uitgeslagen; hem stampend met officiers-laarzen uitgescholden voor vuile smous en geëist dat hij, haar zoon, geliefde en apostel, bekende dat hij haar in het geheim had willen vergiftigen, dat hij een dodelijke haat jegens haar koesterde.


Natuurlijk had hij haar niet verloochend, ook na honderden uren verhoor had zijn geloof geen seconde gewankeld, zelfs niet toen hij op de grond lag en de glimmend gepoetste neus van een kalfslederen laars naast zijn bebloede mond waarnam.


 


136. In 1930 viel de bijl van de algehele collectivisatie.


Kort daarop werd de bijl opnieuw geheven. Ditmaal trof zij de generatie van de Burgeroorlog. Een klein deel van deze generatie bleef in leven, maar haar ziel, haar geloof in de wereldcommune, haar romantische revolutionaire kracht verdween met degenen die in 1937 vernietigd werden. Degenen die bleven leven en werken, pasten zich aan aan de nieuwe tijd, aan de nieuwe mensen.


De nieuwe mensen geloofden niet in de revolutie, zij waren geen kinderen van de revolutie, zij waren de kinderen van de door haar geschapen staat.


De nieuwe staat had geen behoefte meer aan heilige apostelen, aan bezeten bouwers, aan gelovige volgelingen. Zelfs voor dienaren had hij geen emplooi meer, alleen nog voor dienstkloppers. Wel was het zorgwekkend voor de staat dat zijn dienstkloppers zich soms ontpopten als een wel erg kleingeestig en bovendien onbetrouwbaar volkje.


De terreur en de dictatuur slokten hun scheppers op. En de staat, die middel had geleken, bleek doel te zijn geworden. De mensen die deze staat hadden geschapen, dachten dat hij een middel was om hun idealen te verwezenlijken. Maar hun dromen en idealen bleken een middel voor de grote, verschrikkelijke staat. De staat veranderde van dienaar in naargeestige alleenheerser. Het was niet het volk dat de terreur van 1919 nodig had, dat de vrijheid van meningsuiting de nek omdraaide, dat vroeg om de ondergang van miljoenen boeren, die immers zelf tot het volk horen; het was niet het volk dat in 1937 de gevangenissen en kampen volstopte, dat riep om de fatale verbanning naar de taiga van Krimtataren, Kalmukken, Balkaren, gerussificeerde Bulgaren en Grieken, Tsjetsjenen en Wolgaduitsers, het was niet het volk dat een einde maakte aan de vrijheid om te zaaien en het recht om te staken, dat krankzinnige toeslagen hief op de kostprijs van goederen.


De staat werd tot heer en meester, het nationale, dat aanvankelijk de vorm was, drong de inhoud binnen, werd tot wezen en verjoeg het socialisme naar de buitenkant, waar het omhulsel werd, fraseologie, schil, uiterlijke vorm. Op tragische wijze werd een heilige levenswet duidelijk: vrijheid is het hoogste goed, er bestaat op de hele wereld geen doel waarvoor zij mag worden opgeofferd.


 


150. De geschiedenis van de mens is de geschiedenis van zijn vrijheid. De groei van het menselijk kunnen komt vooral tot uitdrukking in de toename van vrijheid. Vrijheid is niet het erkennen van de noodzakelijkheid, zoals Friedrich Engels dacht. Vrijheid is lijnrecht tegengesteld aan noodzakelijkheid, vrijheid is het overwinnen van de noodzakelijkheid.


Vooruitgang is in wezen vooruitgang van de menselijke vrijheid. Sterker nog, het leven zelf is vrijheid, evolutie van het leven is evolutie van de vrijheid.


De ontwikkeling van Rusland liet haar merkwaardige essentie zien: zij werd tot een ontwikkeling van de onvrijheid. Van jaar tot jaar werd de lijfeigenschap hardvochtiger; het recht van de boeren op land smolt steeds meer weg, en tegelijk ging de groei van de Russische wetenschap, techniek en beschaving door, hand in hand met de groei van de Russische slavernij.


 


152. Het is werkelijk tragisch, dat iemand die zo oprecht kon genieten van de boeken van Tolstoj en de muziek van Beethoven, heeft bijgedragen tot de hernieuwde onderdrukking van boeren en arbeiders, en dat uitnemende cultuurdragers als Aleksej Tolstoj, de chemicus Semjonov en de musicus Sjostakovitsj door zijn toedoen zijn verworden tot lakeien van de staat.


De strijd die was aangebonden door de voorstanders van de Russische vrijheid, werd gewonnen door de Russische slavernij, die ook ditmaal onoverwinnelijk bleek.


De overwinning van Lenin werd de nederlaag van Lenin.


De tragedie van Lenin bleek niet alleen een tragedie voor Rusland, maar voor de hele wereld.


Heeft hij vermoed dat, op het moment dat hij zijn revolutie voltrok, niet Rusland het socialistische Europa zou volgen, maar de verborgen Russische slavernij Ruslands grenzen zou overschrijden en tot een fakkel zou worden om de mensheid op nieuwe wegen bij te lichten?


Rusland laafde zich niet meer aan de vrije geest van het Westen.


Het Westen keek met behekste ogen naar het Russische voorbeeld van een ontwikkeling langs de weg der onvrijheid.


De wereld zag de betoverende eenvoud van die weg. De wereld begreep de kracht van een nationale staat die op onvrijheid was gebouwd.


Wat de profeten van Rusland honderd en honderdvijftig jaar eerder hadden voorspeld, leek uitgekomen.


Maar op welk een vreemde en vreselijke manier...


Lenins synthese van onvrijheid en socialisme maakte meer indruk op de wereld dan de ontdekking van de atoomenergie.


De Europese apostelen van nationale revoluties zagen hun vlam branden in het Oosten. De Italianen, en later ook de Duitsers, ontwikkelden het concept van een nationaal socialisme op hun eigen wijze.


En het vuur greep om zich heen - de vlam werd overgenomen door Azië, door Afrika.


Naties en staten konden zich ontwikkelen op basis van geweld en met veronachtzaming van de vrijheid!


Dit was geen voedsel voor gezonde mensen, dit was een narcotisch geneesmiddel voor mislukkelingen, zieken en zwakken, achterblijvers en geknakten.


De duizend jaar oude wet van Ruslands ontwikkeling werd door de wil, de hartstocht, het genie van Lenin tot een wet voor de hele wereld.


Dat was de vloek van de geschiedenis.


Lenins onverdraagzaamheid, zijn dwingelandij, zijn onwrikbaar gelijk, zijn minachting voor de vrijheid, zijn fanatieke geloof, zijn wreedheid jegens vijanden - kortom alles, wat hem de overwinning bezorgde, wortelde in de duizend jaar oude diepten van de Russische slavernij, de Russische onvrijheid. Daarom heeft Lenins overwinning de onvrijheid gediend. En tegelijk leefde daarnaast, immaterieel, zonder gewicht, de Lenin voort die miljoenen mensen betoverde met zijn eigenschappen van vriendelijke, bescheiden, hardwerkende Russische intellectueel.


Zo. Is de Russische ziel nog steeds zo raadselachtig? Nee, er is geen raadsel.


En is het er ooit geweest? Wat is er raadselachtig aan slavernij?


En is dit ontwikkelingspatroon wel zo typisch Russisch en uitsluitend Russisch? Is alleen de Russische ziel gedoemd tot een ontwikkeling die niet met groeiende vrijheid, maar met groeiende slavernij gepaard gaat? Zien wij hier slechts het lot van de Russische ziel?


Nee, nee, natuurlijk niet.


Dit patroon wordt bepaald door de parameters, en dat zijn er tientallen of misschien wel honderden, waarbinnen de geschiedenis van Rusland is verlopen.


De ziel heeft hier niets mee te maken. Ook als het Fransen, Duitsers, Italianen of Engelsen waren geweest, die duizend jaar geleden vergroeiden met deze parameters - de bossen en steppen, moerassen en vlakten, het krachtveld tussen Europa en Azië, de tragische uitgestrektheid van Rusland - zou hun geschiedenis volgens dezelfde wetten zijn verlopen als de Russische ontwikkeling. En niet alleen de Russen zijn deze weg gegaan. Op alle continenten van de aarde zijn er volkeren die, hetzij vaag en van ver, hetzij duidelijk en van dichtbij, in het bittere lot van Rusland hun eigen bittere lot herkennen.


 


Het wordt tijd dat de ontraadselaars van Rusland begrijpen dat de mystiek van de Russische ziel is geschapen door duizend jaar slavernij en door niets anders.


Wie verrukt is van de Byzantijnse ascetische zuiverheid en de christelijke zachtmoedigheid van de Russische ziel, accepteert onwillekeurig de Russische slavernij als een vaststaand gegeven. Die zuiverheid en zachtmoedigheid komen voort uit dezelfde bron als de hartstocht, de onverdraagzaamheid en het fanatieke geloof van Lenin - uit duizend jaar onvrijheid.


Daarom hebben de profeten van Rusland zo'n tragische vergissing begaan. Want waar is zij, die 'al-menselijke en al-verzoenende Russische ziel', die volgens Dostojevski 'het uiteindelijke woord' zou spreken, 'het woord van uiteindelijke volledige harmonie, van de uiteindelijke broederlijke eensgezindheid van alle stammen naar het gebod van Christus' evangelie'?


Waar is zij dan in hemelsnaam te vinden, die al-menselijke en al-verzoenende ziel? Hadden de profeten van Rusland soms verwacht dat hun profetieën over de wereldwijde triomf van de Russische ziel verwezenlijkt zouden worden in het eensgezind knarsen van het prikkeldraad in de Siberische taiga en rond Auschwitz?


Lenin is in veel opzichten tegengesteld aan de profeten van Rusland. Hij staat oneindig ver af van hun ideeën omtrent zachtmoedigheid, Byzantijns-christelijke zuiverheid en het evangelische gebod.


Maar merkwaardig genoeg heeft hij ook iets met hen gemeen. Hoewel hij een volstrekt andere, geheel eigen weg ging, heeft ook hij niet geprobeerd Rusland te behoeden voor het bodemloze, duizend jaar oude moeras der onvrijheid; hij accepteerde, net als zij, de Russische slavernij als een vaststaand gegeven. Hij is, net als zij, geboren uit onze onvrijheid.


De slaafse kern van de Russische ziel bepaalt zowel het Russische geloof als het Russische ongeloof, zowel de zachtmoedige mensenliefde van de Rus als zijn roekeloosheid, vermetelheid en vernielzucht, zowel zijn gierigheid en kleinburgerlijkheid, zijn nederige werklust en ascetische zuiverheid als zijn extreme bedrieglijkheid, zowel de angstaanjagende moed van de Russische soldaat als het ontbreken van menselijke waardigheid in het Russische karakter, zowel de wanhopige rebellie van Russische opstandelingen als de extase van sekteleden; de slavenziel deed zich ook gelden in de revolutie van Lenin, in Lenins hartstochtelijke ontvankelijkheid voor revolutionaire theorieën uit het Westen, in zijn bezetenheid, in zijn gewelddadigheid en in de overwinningen van zijn staat.


Overal waar slavernij is, worden dergelijke zielen geboren.


Welke hoop is er dan nog voor Rusland, als zelfs zijn grote profeten geen vrijheid van slavernij konden onderscheiden?


Wat is er voor hoop, als zelfs Ruslands genieën zijn nederige slavernij voor zachtmoedige, stralende zieleschoonheid houden?


Welke hoop is er nog voor Rusland, als zijn grootste hervormer, Lenin, de band tussen ontwikkeling en onvrijheid niet heeft verbroken, maar verstevigd?


Wanneer komt eindelijk de tijd dat de Russische ziel een vrije mensenziel zal zijn? Wanneer?


Misschien wel nooit.


 


156. Lenin was dood. Maar het leninisme niet. De door Lenin veroverde macht bleef in handen van de partij. Zijn kameraden, zijn assistenten, zijn medestrijders en leerlingen zetten zijn werk voort.


 


... zijn erfgenamen moeten 't land, 


door wilde vloedgolven geteisterd, indammen met beton en zand.


Zeg hun niet: Lenin is gestorven,


Zijn heengaan heeft hen niet gestoord.


Zij zetten immer vreugdelozer 


en grimmiger zijn werken voort.


 


De door Lenin bevochten dictatuur van de partij bleef bestaan, evenals zijn leger, zijn politie, zijn staatsveiligheidsdienst, zijn alfabetiserings-projecten en arbeiderstaculteiten. Achtentwintig delen geschreven tekst liet hij na. Wie van zijn strijdmakkers kon de ware essentie van het leninisme het diepst in zich opnemen en qua karakter, hart en verstand het beste uitdragen? Wie zou het vaandel van Lenin overnemen en verder dragen, de grote staat opbouwen die Lenin had gegrondvest, de nieuwe partij van overwinning naar overwinning voeren, de nieuwe wereldorde consolideren?


De briljante, onstuimige, luisterrijke Trotski? De innemende, meeslepend generaliserende theoreticus Boecharin? De koeogige Rykov, staatsman van de praktijk, die het meeste contact had met de belangen van het volk, van de boeren en arbeiders? De erudiete, zelfverzekerde, tegen de ingewikkeldste gevechten in vergaderingen opgewassen ervaren leider Kamenev? De felle polemicus Zinovjev, kenner van de internationale arbeidersbeweging?


Elk van hen vertoonde verwantschap met een of meer facetten van Lenins karakter. Maar deze facetten waren niet fundamenteel, zij waren niet bepalend voor de essentie, het wezen van het nieuwe dat werd geboren.


Het noodlot wilde dat zowel de bijna geniale Trotski als Boecharin, Rykov, Zinovjev en Kamenev met Lenin alleen zijn rebelse eigenschappen gemeen hadden, en dat deze eigenschappen alle genoemde leiders naar het schavot en de ondergang hebben geleid.


Het waren niet deze eigenschappen en facetten die de kern van Lenins karakter uitmaakten. Zij bepaalden zijn zwakheid, zijn rebellie, zijn afwijkingen en illusies, niet de essentie van het nieuwe.


Zelfs Loenatsjarski had wel iets met Lenin gemeen - het deel dat naar de Appassionata luisterde en van Oorlog en vrede genoot. Maar het was niet aan de arme Loenatsjarski om grimmig en vreugdeloos het werk van Lenins partij voort te zetten. Zo waren ook Trotski, Boecha-rin, Rykov, Kamenev en Zinovjev door de geschiedenis niet voorbestemd om de ware kern van Lenin te belichamen.


De haat van Stalin tegen de leiders van de oppositie was een haat tegen die karaktertrekken van Lenin, die in tegenspraak waren met Lenins kern.


Stalin liet Lenins beste vrienden en strijdmakkers ter dood brengen, omdat zij, elk op hun eigen wijze, de verwezenlijking van de hoofdzaak, van de ware kern van Lenin, in de weg stonden.


Door tegen hen te strijden, door hen ter dood te brengen, streed hij als het ware ook tegen Lenin, bracht hij ook Lenin ter dood. Maar tegelijk was juist hij het die Lenin en het leninisme deed zegevieren, die het vaandel van Lenin opnam en het stevig in de Russische bodem plantte.


 


160. In het karakter van Stalin, die de Aziaat en de Europese marxist in zich verenigde, manifesteerde zich het karakter van het sovjetstaats-systeem. De staat als organisatievorm die alles doordringt. Lenin belichaamde het Russische historische nationale beginsel, Stalin het Russische sovjetstaatssysteem. Het Russische staatssysteem, geboren uit Azië en in een Europees jasje gestoken, is niet historisch, het is bovenhistorisch.


Het principe ervan is universeel, onwankelbaar, toepasbaar op alle vormen die Rusland in zijn duizendjarige geschiedenis heeft aangenomen. Met Stalins hulp werden de van Lenin geërfde revolutionaire categorieën 'dictatuur', 'terreur', 'strijd tegen bourgeois-vrijheden', die Lenin als tijdelijk had opgevat, verplaatst naar de basis, het fundament, de kern, waar zij samensmolten met de traditionele nationale Russische onvrijheid. Met Stalins hulp werden deze categorieën tot inhoud van de staat, en werden de overblijfselen van de sociaaldemocratie verbannen naar de vorm; zij werden theaterdecor.


Alle karaktertrekken van het slavenhoudende Rusland, dat geen medelijden met mensen kende, waren verenigd in Stalin.


Zijn ongelooflijke wreedheid, zijn ongelooflijke trouweloosheid, zijn vermogen tot veinzen en huichelen, zijn haatdragendheid en wraak-zucht, zijn grofheid en zijn humor, het waren typisch de eigenschappen van een hooggeplaatste Aziaat.


Zijn kennis van de revolutionaire theorieën, van de terminologie van het progressieve Westen, van de literatuur en het theater, die zo geliefd waren bij de Russische democratische intelligentsia, zijn citaten uit Gogol en Sjtsjedrin, zijn kunstig gebruik van de fijne kneepjes van het samenzweren en zijn amoralisme hoorden bij de revolutionair van het type Netsjajev, het type waarvoor het doel alle middelen heiligt. Al zou Netsjajev natuurlijk geschokt zijn geweest als hij had gezien hoe monsterlijk ver losif Stalin het netsjajevisme doorvoerde.


Zijn geloof in officiële papieren en in de politiemacht als belangrijkste kracht in het leven, zijn geheime passie voor uniformen en decoraties, zijn ongehoorde minachting voor de menselijke waardigheid, zijn verafgoding van ambtelijke regels en bureaucratie, zijn bereidheid te doden voor de heilige letter van de wet en dan die wet weer op te offeren aan zijn verschrikkelijke willekeur - dat waren trekken die hoorden bij een politiefunctionaris, een gendarmebaas.


Hieruit, uit de combinatie van deze drie Stalins, bestond het karakter van Stalin.


Deze drie Stalins creëerden samen het stalinistische staatssysteem, een staatssysteem waarvoor de wet slechts een instrument van de willekeur, en de willekeur wet was, een systeem dat met zijn duizend jaar oude wortels terugging op een verleden dat de boeren tot slaven had gemaakt, op het Tataarse juk dat ook de heren tot lakei maakte, het systeem van een staat die grensde aan het trouweloze, wraakzuchtige, hypocriete en wrede Azië en tegelijk aan het verlichte, democratische, geldbeluste, veile Europa.


Deze Aziaat op geitenleren laarsjes, die Sjtsjedrin citeerde, naar de wetten van de bloedwraak leefde en het vocabulaire van de revolutie gebruikte, bracht helderheid in de postrevolutionaire chaos en verwezenlijkte zijn eigen karakter in het karakter van de staat.


De door hem geschapen staat had als voornaamste principe dat het een staat zonder vrijheid was.


In dit land staan de gigantische fabrieken, de kunstmatige meren, de kanalen en de waterkrachtcentrales niet in dienst van de mens, maar van de staat zonder vrijheid.


In deze staat zaait de mens niet wat hij wil, hij is niet de baas over de akker die hij bewerkt, of over de appelbomen of de melk; de aarde brengt voort wat de staat zonder vrijheid beveelt.


In deze staat hebben noch de kleine volkeren, noch het Russische volk nationale vrijheid. Waar geen menselijke vrijheid is, kan ook geen nationale vrijheid zijn, want vrijheid van een natie is allereerst vrijheid van de mens.


In deze staat bestaat geen samenleving, want een samenleving is gebaseerd op vrije aantrekking en afstoting, en in een staat zonder vrijheid is de vrije keus voor vriendschap of vijandschap ondenkbaar.


 


 


164. Stalin, die geboren was uit de revolutie, rekende met de revolutie en de revolutionairen af met behulp van zijn politieapparaat.


Kan het zijn dat zijn achtervolgingswaan werd veroorzaakt door een geheime angst, de in zijn onderbewuste verborgen angst van Soedejkin voor Degajev? De nederige, door de Derde afdeling in toom gehouden narodovolets en revolutionair had de politiekolonel desondanks angst ingeboezemd. Het was bijzonder beangstigend dat zij allebei, elkaar bedriegend, elkaars vriend en vijand tegelijk, in de benauwde duisternis van Stalins ziel woonden.


Misschien ligt hier, of in elk geval hier ergens in de buurt, de verklaring voor een van de grootste raadsels van 1937 - waarom moesten er voor het vernietigen van onschuldige, de revolutie toegedane mensen zulke gedetailleerde, van begin tot eind gelogen scenario's worden uitgewerkt waaruit hun betrokkenheid bij verzonnen, niet bestaande samenzweringen bleek?


Met martelingen die dagen, weken, maanden en soms jaren duurden werden de ongelukkigen - boekhouders, ingenieurs, agronomen - door de staatsveiligheidsorganen gedwongen een toneelstuk op te voeren, de rol te spelen van misdadiger, buitenlands agent, terrorist of saboteur.


Waar diende dat toe? Miljoenen malen hebben miljoenen mensen zichzelf deze vraag gesteld.


Soedejkin werkte zijn scenario's uit om de tsaar te bedriegen. Maar Stalin hoefde geen tsaar te bedriegen, hij was zelf de tsaar.


Ja, en toch was het doel van Stalins scenario's het bedriegen van een tsaar, een tsaar die onzichtbaar, buiten zijn wil om, in het geheime duister van zijn ziel woonde. De onzichtbare heerser leefde voort, ook al scheen de onvrijheid volledig te zegevieren. Hij was de enige voor wie Stalin tot het eind van zijn dagen bang was.


Met de vrijheid, in naam waarvan de Russische februarirevolutie begonnen was, heeft Stalin ondanks zijn bloedig geweld zijn leven lang niet werkelijk kunnen afrekenen.


En de Aziaat die in zijn ziel woonde probeerde de vrijheid te bedriegen, haar te slim af te zijn, omdat hij de hoop had opgegeven haar definitief te zullen verslaan.


 


173. In de zomer ging Ivan Grigorjevitsj naar de stad aan zee, waar aan de voet van een groene berg het huis van zijn vader stond.


De trein reed vlak langs de kust, en op een tussenstationnetje stapte Ivan Grigorjevitsj uit en keek naar het groene en zwarte, bewegende, naar zoute koelte ruikende water.


De zee en de wind waren er ook geweest toen hij werd opgeroepen voor nachtelijke verhoren, toen er een graf werd gegraven voor een gevangene die tijdens een transport was gestorven, toen de waakhonden blaften onder de ramen van de barak en de sneeuw knerpte onder de voeten van de bewakers.


De zee is eeuwig, en de eeuwigheid van haar vrijheid deed Ivan Grigorjevitsj denken aan onverschilligheid. De zee had zich niets van Ivan Grigorjevitsj aangetrokken toen hij boven de poolcirkel leefde, en die klotsende en spattende vrijheid zou zich niets van hem aantrekken wanneer hij ophield met leven. Hij dacht: dit is geen vrijheid, maar de op aarde neergedaalde immense ruimte, een bewegend en onverschillig stukje eeuwigheid.


De zee is niet hetzelfde als vrijheid, zij is er een afspiegeling van, een symbool... Maar wat is de vrijheid een prachtig iets, als zelfs een afspiegeling, een symbool ervan een mens zo gelukkig kan maken.


In de stad aangekomen overnachtte hij op het station; vroeg in de ochtend ging hij op weg naar het huis. Aan de wolkenloze hemel kwam een herfstzon op, die niet te onderscheiden was van de lentezon.


Hij liep door de verlaten, slaperige stilte. Hij voelde een zodanige verwarring dat hij dacht dat zijn hart, dat alles verdragen had, het deze keer zou begeven. De wereld was goddelijk onbeweeglijk geworden, het dierbare heiligdom van zijn kindertijd was eeuwig en onveranderlijk. Over deze koele straatkeien hadden zijn voeten vroeger gelopen, naar deze ronde bergen, die al een waas van roestig herfstrood droegen, hadden zijn kinderogen gekeken. Hij luisterde naar het ruisen van de beek, die omgeven door stadsafval - meloenschillen en afgekloven maiskolven - naar de zee stroomde.


Over de straat naar de markt liep een oude Abchazier in een zwart satijnen hemd met een dun leren ceintuurtje, hij droeg een mand kastanjes.


Misschien was dit dezelfde man, voorgoed verstard in zijn grijsheid, bij wie Ivan Grigorjevitsj in zijn jeugd kastanjes en vijgen had gekocht.


In dezelfde koele en warme, naar zee en bergen, knoflookwalmen en rozen geurende zuidelijke ochtendlucht. De huisjes met de gesloten luiken en de neergelaten gordijntjes waren ook nog dezelfde; misschien sliepen achter die gesloten luiken dezelfde nooit opgegroeide kinderen van veertig jaar geleden en dezelfde nooit begraven oudjes.


Hij kwam uit op de straatweg, die langs de berg omhoogliep. De beek ruiste. Ivan Grigorjevitsj herinnerde zich dat geluid.


Nog nooit had hij zijn leven in zijn geheel overzien, maar nu zag hij het voor zich.


Hij zag het zonder woede.


Alle mensen die hem in hun zwakheid, grofheid en boosheid kwaad hadden gedaan - hem met geweerkolven het kantoor van zijn ondervrager in geduwd, hem met verhoren van zijn nachtrust beroofd, hem belasterd op vergaderingen, de mensen die met hem gebroken hadden, die in het kamp zijn brood hadden gestolen, hem hadden geslagen - hadden dat niet gedaan omdat zij dat wilden.


Zij hadden verraden, belasterd en banden verbroken omdat er anders niet te leven viel, en toch waren zij mensen. Zij wilden niet echt dat hij, na zijn liefde verloren te hebben, oud en eenzaam naar zijn verlaten huis moest lopen.


De mensen wensten niemand kwaad toe, maar deden hun leven lang kwaad.


En toch waren zij mensen. En hoe wonderlijk ook, of zij het wilden of niet, zij lieten de vrijheid niet sterven, zelfs de afschuwelijksten onder hen bewaarden haar in hun afschuwelijke, misvormde en toch menselijke zielen.


Hij had niets bereikt, hij zou geen boeken nalaten, geen schilderijen, geen ontdekkingen. Hij had geen school gesticht en geen partij opgericht, hij had geen leerlingen.


Waarom was zijn leven zo moeilijk? Hij had niets verkondigd, geen leer uitgedragen, hij was gebleven wat hij altijd geweest was - een mens.


 


Daar was de helling, achter de bergpas doemden de toppen van eiken op. In zijn jeugd had hij daar, in de schemer van dat bos, lopen zoeken naar sporen van het verdwenen leven van de Tsjerkessen - verwilderde fruitbomen, resten van omheiningen.


Misschien stond zijn geboortehuis er nog even onveranderlijk als de straten en de beek hadden geleken...


Nog één bocht. Voor een ogenblik was het alsof de aarde werd overgoten met een onwaarschijnlijk helder, nooit eerder gezien licht.


Nog een paar stappen en in dat licht zou hij het huis zien, en hij, de verloren zoon, zou begroet worden door zijn moeder, en hij zou voor haar op zijn knieën vallen, en zij zou haar mooie, jonge handen op zijn kalende grijze hoofd leggen.


Hij zag een begroeiing van doornige struiken en hop. Geen huis, geen put - alleen een paar witte stenen tussen het stoffige, in de zon gebleekte gras.


Daar stond hij, grijs, gebogen en toch dezelfde, onveranderlijk.


1955-1963


 


 


 


179. Grossmans boek is een voorbeeld voor de toekomst. Alles stroomt was in 1961 al af, maar is nog steeds relevant. Ik denk relevanter dan ooit.


De boete van de toekomst, de pijn en het schuldbesef die aan Ivan kleven, waren nog steeds rond in het huidige Rusland. De strafkampen zijn er immers nog steeds, en de showprocessen, en de mensen die uit ramen vallen, en de onrechtmatige veroordelingen, en de schrijvers en kunstenaars en journalisten die hun mond moeten houden of in hun portieken worden vermoord. Zij zijn de vijanden die nodig zijn om het verhaal van de staat en diens leider overeind te houden.


Leeggeroofde, uitgehongerde en vernietigde gebieden worden - net als in de jaren dertig, na de holodomor - bewoond door nieuwe mensen die daar niets te zoeken hebben. Ik bedoel hiermee: in een door de Russen vernietigd Marioepol wordt inmiddels Russisch vastgoed verkocht. Op de plek waar het theater van Marioepol opgeblazen werd, staat nu een nieuw theater, waar Russen dansen tijdens feestda-gen. Jonge Russische vloggers maken video's van de nieuwe flats, in straten waar alles aan de overkant nog compleet in puin ligt. Dit is de laaghartige kaviaar van de toekomst: wie wil er wonen op een twijfelachtige plek, die altijd riekt naar vernietiging, zoals de Russen die in de huizen van de uitgehongerde koelakken trokken in de jaren dertig? Wie zet daar met trots een karaf koude wodka op tafel?


Kan iemand tweemaal in dezelfde rivier stappen, terwijl alles stroomt, vraagt Grossman. Ja. Een hele natie is daartoe in staat. Zolang je - zoals Stalin dat zelfs ná de Tweede Wereldoorlog nog met Russische Joden durfde te doen - maar vijanden kunt blijven vinden, zolang er altijd maar iemand gevaarlijk kan zijn voor jouw 'wereld',stroomt alles in een cirkel, niet vooruit, niet weg, nergens heen. Het enige wat je nodig hebt is vernedering en vernederden, en dat niemand meer weet of die nou de vernederde is of vernederd zal worden: wie niet als Grossman is, zal kiezen voor vernedering, uit angst om zelf vernederd te worden. Zo wordt het water nooit zuiverder. Het zit vol drek. Er is enkel dat vreemde spiegelende oppervlak, dat de indruk wekt dat alles eronder gewoon verder gaat, terwijl een paar centimeter lager de opstandigen, kopje onder geduwd, in groten getale voorbij stromen.


Nu het geboorteland van Grossman - Oekraine - in oorlog verkeert en vernederd en gebruikt en bezet wordt, kunnen wij ons hier in het Westen afvragen waarom we het toch steeds weer wagen om Rusland het voordeel van de twijfel te geven. We beginnen Oekraïne, het land dat al decennia zijn nek uitsteekt, steeds meer als een Ivan te zien. Het land is politiek besmet, onhandig om in de ruimte te hebben, pijnlijk om in de ogen te kijken, moeilijk om mee om te gaan. Want, waar moet het heen met dat land? En wat kunnen wij er nou aan doen? 'Wij hebben het ook moeilijk.' Ik zie dit boek van Grossman als een moreel kompas: luister naar het slachtoffer van de agressor, waai niet mee met een dictatoriale wind en wees niet als Nikolaj, die het allemaal maar wat onhandig vindt dat Ivan terugkeert naar Moskou. Steek je nek uit en wees niet bang dat dit een smet op je reputatie zal zijn. Wees menselijker dan Nikolaj, die toch het liefst volgens dit credo lijkt te leven: de sukkel, had-ie z'n bek maar moeten houden.


Alles stroomt lijkt op het eerste gezicht veel te vol gestopt met veel te veel verschrikkelijke feiten over de Sovjet-Unie. Feiten die wij ons misschien amper nog voor kunnen stellen. Hierdoor lijkt Ivan, die sowieso al best wel stil is, soms bijna weg te vallen. Ik denk dat dit het boek juist zo krachtig maakt: de mens is verdwenen, kopje onder gegaan.


In een tijd van politieke glijdende schalen, waarin meer en meer autocraten opduiken en bange mensen de uitgesproken types onder water willen duwen, zou ik Alles stroomt strak onder de arm geklemd houden, waar je ook heen gaat. Dit boek van Grossman is vandaag de dag op vele situaties toe te passen. Geef het cadeau, praat erover, lees alinea's voor aan je geliefde in bed, aan je moeder, en je vrienden in de kroeg


Lisa Weeda